Terug naar Geschriften
Deel 7|08 augustus 2026NL

Wat blijft er over wanneer Christus overwint?

18 minuten leestijd

De Schrift spreekt over Christus die alle machten onder zich brengt, de dood vernietigt en alle dingen met God verzoent. Tegelijk spreekt zij over oordeel, tweede dood, uitsluiting en blijvende ernst. Dit geschrift onderzoekt daarom wat de overwinning van Christus werkelijk betekent. Wordt het kwaad alleen onderworpen, wordt het vernietigd, of wordt ook de vijandschap van de mens zelf overwonnen? En wat blijft er uiteindelijk over wanneer niets meer macht, waarheid of toekomst bezit buiten Christus?

Onderdeel van de reeks

Vrije wil, oordeel en eeuwigheid

Deel 7 van 12

Bekijk de volledige reeks

Wanneer christenen zeggen dat Christus overwint, klinkt dat vaak vanzelfsprekend. Het is een van die uitspraken die zo vertrouwd zijn geworden dat wij nauwelijks nog vragen wat zij precies betekenen. Christus overwint de dood, Hij overwint Satan en Hij overwint de zonde. Uiteindelijk zal Hij regeren. Maar wanneer wij die woorden werkelijk serieus nemen, ontstaat een moeilijkere vraag: wat blijft er uiteindelijk nog over van alles wat zich tegen Hem heeft verzet?

Paulus beschrijft in 1 Korintiërs 15 een einde waarin Christus regeert totdat al zijn vijanden onder zijn voeten zijn gelegd. De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. Daarna wordt alles aan Hem onderworpen en zal God alles in allen zijn. Dat is geen gedeeltelijke overwinning. Paulus beschrijft geen werkelijkheid waarin Christus één koninkrijk bezit en het kwaad daarnaast een eigen eeuwige orde behoudt. De geschiedenis beweegt naar een einde waarin iedere vijand zijn macht verliest en zelfs de dood niet overblijft.

Toch betekent onderwerping niet automatisch verzoening. Een vijand kan verslagen worden zonder een vriend te worden. Een koning kan knielen omdat hij geen macht meer heeft, terwijl zijn hart nog steeds vol haat is. Daarom mogen wij uit 1 Korintiërs 15 niet onmiddellijk concluderen dat ieder rationeel wezen uiteindelijk God liefheeft. De tekst zegt dat alles wordt onderworpen. Dat is veelzeggend, maar het is nog niet hetzelfde als liefde.

Kolossenzen 1 maakt de vraag moeilijker. Daar schrijft Paulus niet alleen over onderwerping, maar ook over verzoening. Alle dingen zijn door Christus geschapen en God wil door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen, vrede makend door het bloed van het kruis. De beweging is kosmisch. Wat door Christus geschapen is, wordt door Christus opnieuw onder Gods vrede gebracht.

Dat is sterkere taal dan alleen overwinning. Verzoening betekent dat iets wat uit verhouding geraakt is opnieuw in een juiste verhouding wordt gebracht. Vrede betekent meer dan dat een tegenstander niet langer in staat is terug te vechten. Het suggereert dat vijandschap zelf wordt beëindigd. Toch moeten wij ook hier voorzichtig blijven. Paulus spreekt over alle dingen binnen een kosmisch verband. Wij mogen niet zonder verdere grond ieder afzonderlijk individu automatisch onder die formulering plaatsen en daarmee de ernstige oordeelsteksten onschadelijk maken. Maar wij kunnen evenmin doen alsof “alle dingen” ineens iets kleins betekent zodra de consequenties van Paulus’ woorden ons ongemakkelijk worden. De vraag blijft dus staan hoe ver Christus’ verzoening werkelijk reikt.

Om daar verder over na te denken, moeten wij eerst iets onderscheiden. Niet alles wat God overwint, wordt gered. De dood wordt niet gered, de zonde wordt niet gered en de leugen wordt niet gered. Het kwaad wordt niet opgenomen in Gods Koninkrijk alsof het uiteindelijk toch een plaats verdient. Wat tegen God ingaat, moet uiteindelijk zijn macht en toekomst verliezen. Een mens is echter niet eenvoudig hetzelfde als de zonde die hem beheerst.

Dat onderscheid loopt diep door het Nieuwe Testament. Paulus spreekt over de oude mens die gekruisigd wordt en over de nieuwe mens die wordt aangedaan. Hij spreekt over de werken van het vlees die moeten sterven en over een mens die vernieuwd wordt naar het beeld van zijn Schepper. Hij kan zelfs zeggen dat iemand met Christus sterft en juist daardoor werkelijk begint te leven. Blijkbaar kan er iets in de mens sterven zonder dat de persoon zelf verdwijnt.

Dat is wezenlijk, want als alles wat een mens door zonde geworden is volledig identiek zou zijn aan zijn diepste identiteit, zou verlossing onmogelijk zijn zonder de persoon zelf te vernietigen. Het evangelie spreekt echter juist over vernieuwing. De mens wordt niet vervangen door iemand anders. Hij wordt bevrijd van wat hem heeft misvormd.

Daarom kunnen wij niet eenvoudig zeggen dat iemand nu eenmaal zo is omdat hij bepaald kwaad al zo lang heeft liefgehad. De Schrift behandelt zonde te vaak als een macht die de mens vervormt om haar volledig gelijk te stellen aan zijn ware identiteit. Tegelijk moeten wij niet verder gaan dan de Schrift zelf. Dat de oude mens kan sterven en de nieuwe mens kan leven, bewijst niet dat in het laatste oordeel ieder individu noodzakelijk behouden wordt. Het laat alleen zien dat de vernietiging van kwaad en het behoud van de persoon niet per definitie met elkaar in strijd zijn.

Dat raakt aan iets wat wij ook in ons eigen leven herkennen. Een mens kan jarenlang vanuit bitterheid leven en uiteindelijk zeggen dat dit nu eenmaal is wie hij is. Een ander kan zijn trots zo lang verdedigen dat nederigheid voor hem voelt als verraad aan zichzelf. Iemand kan begeerte, controle, macht of haat zo diep verweven met zijn zelfbeeld dat hij niet meer weet wie hij zonder die dingen zou zijn. Maar daarmee is nog niet gezegd dat deze dingen zijn diepste identiteit vormen. Misschien laten zij vooral zien wat er met zijn identiteit is gebeurd.

Het evangelie maakt die vraag onvermijdelijk. Wanneer Paulus Christus ontmoet op de weg naar Damascus, wordt hij niet vernietigd als persoon, maar zijn hele richting wordt wel doorbroken. De man die de kerk vervolgde, wordt iemand die bereid is voor Christus te lijden. Christus behandelt Paulus’ bestaande wil niet als een onaantastbaar gebied waar God alleen op afstand mag wachten. Hij confronteert hem overweldigend. Paulus valt op de grond, wordt blind en ziet zijn hele werkelijkheid openbreken. Toch ontstaat er geen marionet. Paulus spreekt later juist over genade die hem heeft gemaakt tot wat hij is.

Daar ligt een belangrijk gegeven voor deze reeks. God kan een vijand overwinnen zonder de vijandige persoon noodzakelijk te vernietigen. Hij kan ook de vijandschap zelf breken. Dat betekent niet dat iedere vijand hetzelfde zal meemaken als Paulus, maar het voorkomt wel dat wij overwinning uitsluitend moeten voorstellen als de vernietiging van degene die weerstand biedt. Er bestaat ook een diepere overwinning, waarin een vijand ophoudt vijand te zijn.

Misschien is dat zelfs de meest volledige overwinning die denkbaar is. Een dode vijand kan niet meer aanvallen en een onderworpen vijand kan niet meer winnen, maar een verzoende vijand is geen vijand meer. Daarom is Kolossenzen 1 zo moeilijk weg te denken wanneer wij over het einde spreken. God maakt vrede door het bloed van het kruis. Niet doordat Hij slechts sterker blijkt dan alle tegenstand, en ook niet doordat uiteindelijk niemand Hem nog effectief kan weerstaan, maar door Christus en door het kruis. Dat zegt iets over het karakter van zijn overwinning.

De kruisiging zelf is al een vreemd soort overwinning. Christus verslaat zijn vijanden niet door hun methode te perfectioneren. Hij neemt geweld op zich, draagt zonde, vergeeft en geeft zichzelf. Dat betekent niet dat oordeel verdwijnt. Dezelfde Christus die zich aan het kruis geeft, spreekt over oordeel met een ernst die wij niet mogen verminderen. Maar het betekent wel dat de Rechter geen ander karakter heeft dan de Gekruisigde.

Dat moet gevolgen hebben voor de manier waarop wij over zijn uiteindelijke overwinning denken. Wij kunnen geen laatste Christus bedenken die moreel nauwelijks meer lijkt op de Christus uit de evangeliën. De hand die oordeelt is dezelfde hand die doorboord werd. De ogen waarvoor niets verborgen kan blijven zijn dezelfde ogen waarmee Hij mensen zag en met ontferming bewogen werd. De mond die oordeel uitspreekt is dezelfde mond die bad voor degenen die Hem kruisigden.

Dat maakt het oordeel niet minder zwaar. Misschien maakt het het juist zwaarder. Want wanneer oordeel plaatsvindt voor iemand die volmaakte rechtvaardigheid en volmaakte liefde is, verdwijnt iedere mogelijkheid om onze schuld weg te zetten als reactie op een onrechtvaardige rechter. Dan blijft alleen waarheid over.

Daarmee keren wij terug naar het derde deel van deze reeks. De mens wordt geconfronteerd met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God. Maar inmiddels zien wij dat die waarheid niet alleen gaat over wat de mens heeft gedaan. Zij gaat ook over wat Christus heeft gedaan. De mens ziet niet alleen zijn eigen geweld, trots, lafheid, zelfrechtvaardiging en gebrek aan liefde, maar ook de God tegenover wie dit alles heeft plaatsgevonden.

Als God werkelijk zichtbaar wordt in Christus, staat de mens niet tegenover een abstracte kosmische macht. Hij staat tegenover degene die zichzelf heeft gegeven. Dat kan de ernst van schuld nauwelijks kleiner maken. Stel dat iemand jaren geleden een ander diep heeft gekwetst en zichzelf steeds heeft verteld dat het wel meeviel. Later ontdekt hij wat zijn daad werkelijk heeft veroorzaakt. Hij ziet het verdriet, de angst en de gevolgen. Vervolgens ontdekt hij ook dat degene die hij heeft gekwetst hem niet met dezelfde haat heeft beantwoord. Die tweede waarheid kan nog pijnlijker zijn dan de eerste, niet omdat liefde martelt, maar omdat liefde alle verdediging onmogelijk maakt.

Misschien kunnen wij daarom spreken over vuur zonder onmiddellijk alleen aan een externe marteling te denken. De Schrift gebruikt vuur op verschillende manieren. Het kan vernietigen, toetsen, zuiveren en Gods heiligheid uitdrukken. Wij mogen daar geen universele theorie uit bouwen, maar het beeld helpt wel om te begrijpen dat waarheid zelf iets kan verbranden. Een leugen kan niet intact blijven wanneer zij volledig zichtbaar wordt als leugen. Zelfrechtvaardiging kan niet dezelfde vorm behouden wanneer niets meer verborgen is. Trots kan niet onaangetast blijven wanneer de mens zichzelf werkelijk ziet tegenover God.

Maar opnieuw blijft de cruciale vraag wat er gebeurt wanneer deze dingen verbranden. Wat als een mens zo diep met zijn leugen is samengegroeid dat hij niet meer weet wie hij zonder die leugen is? Wordt hij bevrijd, wordt hij vernietigd, of blijft hij in eeuwige weerstand bestaan terwijl zijn macht volledig is weggenomen?

De christelijke traditie heeft op die vraag verschillende antwoorden gegeven. Wij kunnen die verschillen inmiddels niet meer eenvoudig wegzetten als het verschil tussen mensen die de Bijbel serieus nemen en mensen die dat niet doen. Grote christelijke denkers hebben geprobeerd zowel Gods heiligheid als zijn liefde, zowel menselijke verantwoordelijkheid als zijn uiteindelijke overwinning te beschermen en zijn toch niet op hetzelfde antwoord uitgekomen. Juist daarom worden wij teruggedwongen naar de Schrift.

Openbaring maakt die terugkeer niet eenvoudiger. Daar wordt de poel van vuur de tweede dood genoemd. De taal is hard en wordt ook met mensen verbonden. Het is niet eerlijk om zonder verdere grond te zeggen dat de tweede dood slechts een andere naam is voor een proces waarin ieder individu uiteindelijk wordt gezuiverd. Dat staat er niet.

Tegelijk zegt Openbaring dat dood en dodenrijk zelf in diezelfde poel worden geworpen. De dood wordt dus uiteindelijk zelf geoordeeld. Paulus zegt bovendien dat de dood als laatste vijand wordt vernietigd. Dan blijft de vraag bestaan hoe een blijvende tweede dood zich verhoudt tot een werkelijkheid waarin de dood uiteindelijk geen heerschappij en toekomst meer heeft.

Misschien kunnen beide waar zijn op een manier die wij nu niet volledig begrijpen. Misschien betekent tweede dood een definitieve toestand van verlies die niet hetzelfde is als de macht van de eerste dood. Misschien is de taal sterker apocalyptisch dan wij vaak toestaan. Misschien wijst zij op vernietiging van de persoon. Misschien heeft het oordeel een andere uitwerking dan onze huidige categorieën kunnen bevatten. Wat wij in ieder geval niet mogen doen, is één tekst gebruiken om de andere het zwijgen op te leggen.

Hetzelfde Nieuwe Testament waarin wij de tweede dood vinden, vertelt immers ook over de Christus aan wie uiteindelijk alles wordt onderworpen. Dezelfde Paulus die spreekt over oordeel, spreekt ook over alle dingen die in Christus verzoend worden.

Daarom moeten wij een moeilijke vraag stellen: wat zou het betekenen als er voor eeuwig mensen blijven bestaan die God haten? Dat hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat God niet gewonnen heeft. Hun weerstand kan volledig machteloos zijn. Zij kunnen niets meer beschadigen en Gods Koninkrijk kan volkomen veilig zijn terwijl er wezens bestaan die Hem innerlijk blijven afwijzen. Dat is een serieuze mogelijkheid en moet niet worden gekarikaturiseerd.

Toch blijft de vraag in welke zin vijandschap dan volledig is beëindigd. Als een rationeel wezen voor eeuwig God blijft haten, bestaat er dan niet nog steeds vijandschap, ook al heeft die geen macht meer? Dat maakt de taal van onderwerping begrijpelijk, maar de taal van verzoening moeilijker.

Aan de andere kant kunnen wij verzoening evenmin reduceren tot een goedkoop einde waarin ieder mens simpelweg beseft dat hij zich vergist heeft en vervolgens wordt verwelkomd alsof zijn geschiedenis nauwelijks nog betekenis heeft. Dat zou geen recht doen aan slachtoffers, schuld of het kruis.

Als iemand andere mensen heeft misbruikt, vernietigd of vernederd, kan verzoening nooit betekenen dat het kwaad uiteindelijk wordt opgelost door te zeggen dat iedereen nu begrijpt hoe ingewikkeld het allemaal was. De waarheid moet volledig zijn. Een dader moet werkelijk zien wat hij heeft gedaan, niet alleen juridisch als een lijst van overtredingen, maar in de werkelijkheid van wat zijn daden hebben veroorzaakt. Hij moet zien wat zijn woorden in anderen hebben gebroken, welke angst zijn macht heeft voortgebracht en welke levens door zijn handelen een andere richting kregen.

Daarom blijft onze eerdere gedachte over oordeel essentieel. Als er ooit verzoening bestaat voorbij wat wij nu begrijpen, kan zij nooit om het oordeel heen. Zij zou door het oordeel heen moeten gaan. Dat betekent niet minder waarheid, maar juist meer waarheid. Het betekent niet minder gerechtigheid, maar volmaakte gerechtigheid. Het kan geen herstel zijn waarbij het slachtoffer opnieuw wordt opgeofferd voor de redding van de dader. De God die de dader volledig kent, kent ook het slachtoffer volledig. Een verzoening die het kwaad niet werkelijk rechtzet, zou geen goddelijke verzoening zijn.

Misschien begrijpen wij daarom het kruis nog te oppervlakkig wanneer wij het alleen zien als een plaats waar straf van ons naar Christus wordt verplaatst. Het kruis is ook de plaats waar zonde volledig wordt ontmaskerd. De mens kruisigt de Rechtvaardige. Religie, macht, angst, politiek, lafheid en geweld komen samen rond één onschuldige persoon. God antwoordt daarop niet door het kwaad goed te noemen, maar door de opstanding.

Daarmee wordt de overwinning van Christus geen ontkenning van de kruisiging. Zijn wonden worden zelfs na de opstanding niet eenvoudig uitgewist. De opgestane Christus draagt ze. Dat zegt iets belangrijks over goddelijke overwinning. De waarheid over wat gebeurd is, hoeft niet verwijderd te worden om werkelijk verlost te worden. De kruisiging blijft werkelijk gebeurd, maar zij eindigt niet in het graf. De wonden zijn herkenbaar, maar zij zijn niet meer dodelijk.

Misschien helpt dat ons om breder over het einde te denken. God hoeft de geschiedenis niet uit te wissen om het kwaad zijn laatste woord te ontnemen. De zonde blijft werkelijk zonde, maar zij hoeft niet de laatste betekenis van een leven te bepalen. De dood blijft werkelijk dood, maar wordt uiteindelijk de laatste vijand die vernietigd wordt.

Daarom moeten wij voorzichtig zijn met iedere theologie waarin de eeuwige toekomst uiteindelijk nog volledig door zonde wordt bepaald. Dat betekent niet automatisch dat ieder individu gered wordt. Maar het betekent wel dat de uiteindelijke betekenis van de schepping niet bepaald kan worden door wat het kwaad ermee heeft gedaan. Christus bepaalt het einde.

Daarmee ontstaat misschien een andere manier om naar verlorenheid te kijken. In plaats van onmiddellijk te vragen hoeveel mensen waar eindigen, kunnen wij eerst vragen wat in Gods uiteindelijke werkelijkheid nog werkelijk kan bestaan. Leugen kan niet blijven functioneren als waarheid. Dood kan niet blijven heersen. Zonde krijgt geen troon. Onrecht kan niet als geaccepteerde werkelijkheid blijven bestaan en Satan wordt geen eeuwige tegenkoning naast God.

Een menselijke persoon is echter iets anders. Een mens bestaat omdat God hem doet bestaan. Daarom blijft de moeilijkste vraag of een menselijke persoon voor eeuwig kan blijven bestaan terwijl alles wat hem van God vervreemdt tegelijkertijd volledig overwonnen is.

Als het antwoord daarop ja is, betekent dit dat afwijzing van God op een bepaalde manier kan blijven bestaan zonder nog deel te hebben aan de macht van het kwaad. Als het antwoord nee is, lijken twee mogelijkheden over te blijven: de persoon houdt uiteindelijk op te bestaan of zijn vijandschap zelf wordt overwonnen.

Daar raken eeuwige bewuste straf, vernietiging en uiteindelijke verzoening opnieuw aan elkaar. Nog steeds lijkt geen van deze posities eenvoudig alle Bijbelse gegevens zonder spanning te omvatten. Misschien hoort een deel van die spanning bij onze positie als mensen die nog vóór het einde leven. Wij proberen het laatste hoofdstuk volledig te begrijpen terwijl wij zelf nog midden in het verhaal staan.

Toch geeft de Schrift ons richting. Christus probeert zijn nederlaag niet zo klein mogelijk te houden. Hij overwint. Paulus schrijft niet dat de dood voor altijd wordt ingeperkt, maar dat hij wordt vernietigd. Hij schrijft niet dat vijandige machten uiteindelijk alleen op voldoende afstand van God worden gehouden, maar dat zij onder Christus worden gebracht. Kolossenzen spreekt niet slechts over een beheersbare kosmos waarin conflicten geen schade meer kunnen veroorzaken, maar over verzoening en vrede door het kruis.

Daarom mogen wij Christus’ overwinning niet kleiner maken om een systeem te beschermen. Tegelijk mogen wij haar niet groter definiëren dan Christus zelf heeft geopenbaard. Wij kunnen daarom niet met zekerheid zeggen dat iedere menselijke persoon uiteindelijk verzoend wordt. Daarvoor staan de ernstige teksten over oordeel te nadrukkelijk in de Schrift.

Maar wij kunnen ook niet meer tevreden zijn met de eenvoudige uitspraak dat God uiteindelijk alleen ieders vrije keuze respecteert en dat daarmee alles verklaard is. Daarvoor is Christus’ overwinning te actief. Hij zoekt, trekt, bevrijdt, opent ogen, vernieuwt harten, breekt vijandschap af en overwint de dood. Uiteindelijk wordt alles aan Hem onderworpen. Dat is veel meer dan het registreren van onze keuze.

De belangrijkste vraag is daarom misschien niet of Christus sterker is dan de menselijke wil. Dat is nauwelijks de kwestie. De diepere vraag is hoe zijn macht zich verhoudt tot liefde. Een tiran kan een wil breken, maar God hoeft dat niet te doen. Hij kan een wil genezen.

Dat hebben wij in de voorgaande delen steeds opnieuw gezien. Wanneer een verslaafde niet meer verlangt naar wat hem vernietigt, is zijn vrijheid niet kleiner geworden. Wanneer een verbitterde mens eindelijk kan vergeven, is hij niet minder zichzelf. Wanneer Paulus Christus liefheeft in plaats van Hem te vervolgen, is hij niet vervangen door een ander mens. Hij is veranderd.

Misschien is dat de meest christelijke vorm van overwinning: niet dat de vijand ophoudt te bestaan, maar dat datgene wat hem tot vijand maakte niet langer over hem heerst.

Toch moeten wij ook hier stoppen voordat deze gedachte verandert in zekerheid over ieder mens. De Schrift laat de mogelijkheid van definitieve weerstand ernstig staan. Die terughoudendheid is geen gebrek aan hoop, maar erkenning van wat wij niet weten.

Wat wij wel weten, is dat Christus niet slechts één macht onder vele machten wordt. Er blijft geen kosmisch evenwicht bestaan waarin licht en duisternis elkaar eeuwig blijven bestrijden. Er blijft geen onzekerheid bestaan over de vraag of het kwaad ooit opnieuw kan winnen. De geschiedenis krijgt een einde, en dat einde behoort aan God.

Misschien is dat wat Paulus probeert te zeggen wanneer hij schrijft dat God alles in allen zal zijn. Niet dat iedere vraag die wij nu stellen eenvoudig kan worden opgelost met één universele formule, maar dat er uiteindelijk geen werkelijkheid meer bestaat die haar laatste betekenis buiten God kan vinden. Alles komt onder zijn waarheid, zijn oordeel en Christus’ heerschappij. Niets wat kwaad is, behoudt het recht zichzelf voor altijd als werkelijk alternatief voor God te presenteren.

Daar ligt misschien het diepste onderscheid tussen het huidige leven en de komende werkelijkheid. Nu kan leugen nog overtuigend lijken. Macht kan op overwinning lijken, zonde kan vrijheid heten en de dood kan voelen alsof hij het laatste woord heeft. Wanneer Christus overwint, kunnen deze dingen niet langer doen alsof zij zijn wat zij niet zijn.

Dan wordt de werkelijkheid waar.

Wat vals is, kan niet meer verborgen blijven. Wat dood is, kan zich niet meer voordoen als leven. Wat slavernij is, kan zich niet meer voordoen als vrijheid. Wat haat is, kan zich niet meer voordoen als gerechtigheid. De mens zal dan niet langer kunnen ontkennen wat hij werkelijk heeft liefgehad en wat dat van hem heeft gemaakt.

Daarmee keren we opnieuw terug naar het oordeel, niet als een zijweg naast Christus’ overwinning, maar als onderdeel ervan. Voordat alles werkelijk onder de waarheid kan komen, moet alles wat leugen was zichtbaar worden.

Misschien is daarom oordeel niet het moment waarop Christus ophoudt Verlosser te zijn en alleen nog Rechter wordt. Misschien zijn beide werkelijkheden dieper met elkaar verbonden dan wij vaak denken. Hij oordeelt omdat Hij de waarheid is en Hij redt omdat Hij het leven is. Zijn overwinning betekent dat geen leugen, zonde of dood uiteindelijk tegen die waarheid en dat leven kan blijven heersen.

Wat dit uiteindelijk voor ieder mens betekent, weten wij nog niet volledig. Maar misschien weten wij inmiddels genoeg om één overtuiging niet meer los te laten: Christus’ overwinning kan niet bestaan uit een werkelijkheid waarin het kwaad uiteindelijk ergens toch zijn eigen laatste woord behoudt.

Wat Hij vernietigt, zal niet opnieuw gaan heersen. Wat Hij geneest, zal werkelijk vrij zijn. Wat Hij oordeelt, zal volledig bekend worden. En wat uiteindelijk blijft, zal alleen kunnen blijven bestaan binnen de waarheid van God.

Misschien is daarom de laatste vraag van dit geschrift niet hoeveel er uiteindelijk overblijft, maar iets fundamentelers:

Wat kan nog blijven bestaan wanneer niets meer verborgen kan blijven voor wie God werkelijk is?