Waarvan wordt de mens gered?
19 minuten leestijd
Verlossing wordt vaak vernauwd tot ontsnappen aan straf of de hel. Maar de Schrift spreekt veel breder. De mens wordt gered van zonde, slavernij, vervreemding, dood en alles wat hem losmaakt van God en van wie hij bedoeld is te zijn. Dit geschrift onderzoekt daarom wat Christus werkelijk redt. Niet alleen onze bestemming na de dood, maar de mens zelf. Want als verlossing alleen betekent dat schuld wordt kwijtgescholden terwijl de wil, het hart en de persoon gevangen blijven, is de vraag of wij dan werkelijk begrijpen wat het evangelie met redding bedoelt.
Wanneer christenen zeggen dat iemand gered moet worden, denken wij vaak onmiddellijk aan de hel. Gered worden betekent dan vooral dat een mens na zijn dood niet terechtkomt in eeuwige straf, maar bij God. Dat is niet onbelangrijk. Jezus spreekt werkelijk over oordeel en verlorenheid, en niets in deze reeks geeft ons reden die ernst kleiner te maken. Toch ontstaat er een probleem wanneer redding bijna uitsluitend wordt beschreven als het vermijden van een toekomstige bestemming. De Schrift spreekt namelijk veel breder over wat er met de mens mis is en wat Christus komt herstellen.
Jezus komt niet alleen voor mensen die op weg zijn naar een verkeerde plaats. Hij komt voor blinden, gevangenen, zieken, verlorenen en mensen die slaaf zijn geworden van de zonde. De Schrift kan zelfs over mensen spreken alsof zij dood zijn terwijl zij lichamelijk nog leven. Daarmee wordt duidelijk dat het grootste probleem van de mens niet alleen is dat er later een oordeel wacht. Er is nu al iets mis. De mens draagt zijn verlorenheid niet alleen als een toekomstige straf boven zijn hoofd, maar kan haar nu al in zichzelf dragen.
Dat verandert de vraag naar verlossing. Als een mens werkelijk slaaf is van de zonde, is het dan voldoende dat God hem juridisch vergeeft terwijl die slavernij zelf onaangeroerd blijft? Als zijn hart verhard is, is het dan voldoende dat de straf wordt weggenomen terwijl het hart steen blijft? Als hij door leugen gevormd is, is het dan voldoende dat God hem niet veroordeelt terwijl hij de waarheid nog steeds haat? En als hij God niet liefheeft, is redding dan voltooid zodra God besluit hem niet te straffen?
De Bijbelse taal lijkt steeds opnieuw te zeggen van niet. Vergeving behoort tot verlossing, maar verlossing is groter dan vergeving.
Paulus beschrijft zonde als een macht. In Romeinen 6 spreekt hij over slavernij en over de mens die aan de zonde kan gehoorzamen als aan een meester. Christus komt dan niet alleen om het dossier van de slaaf schoon te maken, maar om hem te bevrijden uit de heerschappij waaronder hij stond. Een slaaf die juridisch vrijgesproken wordt maar nog altijd in ketenen leeft, is immers nog niet werkelijk vrij.
Daarom zegt Jezus in Johannes 8 dat wanneer de Zoon vrijmaakt, de mens werkelijk vrij zal zijn. Dat woord werkelijk is belangrijk. Blijkbaar bestaat er een vrijheid die dieper gaat dan simpelweg mogen kiezen wat wij willen. Zoals wij eerder hebben gezien, kan een mens willen wat hem gevangenhoudt. Verlossing moet daarom zelfs het niveau bereiken waarop het willen zelf gevormd wordt.
Christus redt de mens dus niet alleen van de consequenties van zonde, maar van de zonde zelf. Dat klinkt eenvoudig, maar het heeft grote gevolgen voor alles wat wij tot nu toe hebben onderzocht. Als zonde alleen een lijst overtredingen was, zou redding vooral kwijtschelding nodig hebben. Maar wanneer zonde ook slavernij, blindheid, vervreemding en dood is, moet redding bevrijden, genezen, verlichten, verzoenen en levend maken.
Het evangelie gebruikt al deze beelden, en waarschijnlijk niet toevallig. Geen enkel beeld lijkt op zichzelf groot genoeg om te beschrijven wat met de mens mis is. De mens is schuldig en heeft vergeving nodig. Hij is gebonden en heeft bevrijding nodig. Hij is blind en heeft licht nodig. Hij is verdwaald en moet gevonden worden. Hij is vervreemd en moet verzoend worden. Hij wordt zelfs dood genoemd en heeft daarom leven nodig.
Dat is veel meer dan ontsnappen aan straf.
Misschien hebben wij daardoor ook oordeel soms te smal begrepen. Wanneer wij alleen denken in schuld en straf, wordt de centrale vraag vanzelf welke straf een overtreding verdient en hoelang die straf duurt. Maar wanneer het probleem ook ziekte, slavernij, vervreemding en dood omvat, ontstaat een andere vraag: wat moet God doen om de mens werkelijk heel te maken?
Dat betekent niet dat schuld oplost in therapietaal. Een mens kan gebroken zijn en tegelijk werkelijk kwaad doen. Hij kan gebonden zijn en verantwoordelijkheid dragen. In deze reeks hebben wij juist geprobeerd beide werkelijkheden naast elkaar te houden. De dader mag niet veranderen in uitsluitend patiënt, maar hij is evenmin alleen een juridisch dossier. God oordeelt een persoon die keuzes heeft gemaakt, anderen werkelijk heeft beschadigd en tegelijk gevormd is door verlangens, leugens, geschiedenis en machten die dieper kunnen reiken dan één afzonderlijke daad.
Daarom kan alleen God volledig rechtvaardig oordelen en daarom kan alleen God volledig redden.
Misschien zien wij dat nergens duidelijker dan bij de ontmoetingen tussen Jezus en mensen die door anderen al waren opgegeven. Zacheüs is een belastinginner die anderen heeft uitgebuit. Jezus behandelt zijn daden niet alsof ze onbelangrijk zijn. De reactie van Zacheüs laat juist zien dat de ontmoeting met Christus leidt tot herstel van wat hij verkeerd heeft gedaan. Hij wil teruggeven wat hij heeft genomen en rechtzetten waar hij anderen heeft benadeeld.
Wanneer Jezus vervolgens zegt dat redding aan dit huis gekomen is, verschijnt redding niet alleen als een toekomstige juridische status. Zij begint zichtbaar te worden in een veranderd leven. Wat krom was, begint recht te worden. Wat genomen was, wordt teruggegeven. Een mens die via bezit en macht leefde, begint anders te handelen. Verlossing bereikt de persoon zelf.
Hetzelfde patroon zien wij wanneer Jezus genade schenkt zonder zonde onbelangrijk te maken. Zijn genade eindigt niet met de mededeling dat menselijke keuzes er niet toe doen. Zij opent juist een andere toekomst. Genade en verandering worden niet tegenover elkaar gezet, omdat genade juist datgene mogelijk maakt wat daarvoor niet mogelijk was.
Misschien is dat een belangrijk patroon door het hele evangelie heen: Christus redt de zondaar niet door de zonde veilig te verklaren. Hij redt de zondaar van de zonde.
Daarom spreekt het Nieuwe Testament zo nadrukkelijk over de oude en de nieuwe mens. Verlossing betekent niet dat God onze huidige toestand eenvoudig voor eeuwig conserveert en er vervolgens zijn goedkeuring aan geeft. Er moet iets sterven. Paulus spreekt over gekruisigd worden met Christus, over de oude mens die wordt afgelegd en over verlangens die gedood moeten worden. Genade is daarmee allesbehalve oppervlakkig. Zij is genadeloos tegenover alles wat de mens vernietigt.
Toch betekent dit sterven niet dat de persoon verdwijnt. Paulus zegt niet dat hij gestorven is en dat er nu iemand anders in zijn plaats bestaat. Hij blijft dezelfde persoon, maar leeft op een nieuwe manier, in Christus. Daardoor ontstaat een vreemd maar wezenlijk christelijk patroon: om werkelijk jezelf te worden, moet iets sterven wat jij misschien lange tijd als jezelf bent gaan beschouwen.
Een mens kan zoveel jaren met trots leven dat hij zijn trots als karakter ziet. Hij kan begeerte verwarren met liefde, controle met verantwoordelijkheid, bitterheid met gerechtigheid en zelfbescherming met wijsheid. Wanneer Christus daarvan bevrijdt, kan dat aanvankelijk voelen alsof iets wezenlijks van de persoon wordt afgenomen. En in zekere zin gebeurt dat ook. Alleen wordt misschien niet zijn ware persoon weggenomen, maar juist datgene wat hem ervan weerhield die persoon te worden.
Dat brengt ons terug bij onze eerdere vragen over oordeel en vuur. Wanneer God uiteindelijk alles aan het licht brengt, kan niets onzuivers verborgen blijven. Maar als verlossing werkelijk herstel is, hoeft de vernietiging van kwaad niet noodzakelijk hetzelfde te betekenen als de vernietiging van de persoon. Het Nieuwe Testament kent deze mogelijkheid al binnen het huidige leven. Een mens kan sterven aan zijn oude wijze van bestaan en juist daardoor beginnen te leven.
Dat geeft ons geen recht om te zeggen dat iedere tekst over uiteindelijke vernietiging daarom eigenlijk redding betekent. Dat zou opnieuw verder gaan dan de Schrift. Maar het geeft ons wel een andere categorie om mee te denken. Niet alles wat in mij vernietigd moet worden is daarom iets waarvan mijn uiteindelijke bestaan afhankelijk is. Sommige dingen moeten misschien juist verdwijnen voordat ik werkelijk kan leven.
Verlossing is daarom ook verzoening. Kolossenzen spreekt over mensen die vervreemd waren en vijandig in hun denken, maar die door Christus met God verzoend worden. Dat is niet alleen een wijziging in Gods boekhouding. Vijandschap eindigt en de verhouding verandert. Redding is daardoor niet alleen iets wat God over de mens uitspreekt, maar iets wat tussen God en mens gebeurt.
Dat is ook waarom eeuwig leven volgens Jezus bestaat in het kennen van God. Als redding uiteindelijk gemeenschap met God is, kan zij niet voltooid zijn zolang de mens God nog steeds als vijand ziet. Daarom moeten wij voorzichtig zijn wanneer wij spreken over iemand die juridisch gered zou worden terwijl zijn hart onveranderd blijft.
Wat zou zo iemand in de nieuwe schepping doen? Stel dat hij geen straf ontvangt, maar nog altijd haat wat God liefheeft, anderen wil gebruiken, waarheid als bedreiging ervaart en liever heerst dan liefheeft. Zou dat werkelijk hemel zijn? Of zou de aanwezigheid van God juist ondraaglijk zijn?
Daarmee zien wij opnieuw waarom oordeel en verlossing misschien dichter bij elkaar liggen dan wij vaak denken. Volledige waarheid kan pijnlijk zijn omdat zij alles wegneemt waarmee wij onszelf beschermen. Maar juist daarom kan die waarheid ook noodzakelijk zijn voor genezing.
Een chirurg die iets kwaadaardigs verwijdert, veroorzaakt pijn niet omdat hij het lichaam haat, maar omdat hij wil behouden wat anders vernietigd wordt. Ook deze analogie heeft haar grenzen. God is geen menselijke arts en zonde is meer dan ziekte. Toch helpt zij ons iets belangrijks te zien: pijn en vernietiging zijn niet automatisch hetzelfde als haat, en genade is niet automatisch hetzelfde als het vermijden van pijn.
Soms is juist de waarheid die ons bevrijdt pijnlijk. Wie jarenlang zichzelf heeft voorgelogen en ineens werkelijk ziet wat hij anderen heeft aangedaan, kan die waarheid onmogelijk als aangenaam ervaren. Maar zou het liefde zijn om hem daarom in zijn leugen te laten? Waarschijnlijk niet. Misschien begint redding soms precies waar zelfbedrog niet langer mogelijk is.
Daarom blijft het kruis centraal. Christus redt niet op afstand. Hij betreedt de menselijke toestand, draagt lijden, wordt verworpen, sterft en staat op. De beweging van het evangelie kan daardoor niet worden teruggebracht tot schuld en vrijspraak. Zij omvat ook de beweging van dood naar leven, van slavernij naar vrijheid, van vervreemding naar verzoening, van oude mens naar nieuwe mens en uiteindelijk van oude schepping naar nieuwe schepping.
Dat is waarom opstanding zo belangrijk is. Als redding alleen betekende dat een immateriële ziel na de dood niet gestraft wordt, zou lichamelijke opstanding bijna overbodig worden. De christelijke hoop zegt echter juist dat God zijn schepping niet opgeeft. Het lichaam doet ertoe, de aarde doet ertoe, de geschiedenis doet ertoe en de persoon doet ertoe.
God werpt de schepping niet weg om elders opnieuw te beginnen. Hij vernieuwt haar.
Dat woord verandert veel. De laatste hoofdstukken van Openbaring beschrijven geen ontsnapping uit de schepping, maar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. God woont bij de mensen, de dood verdwijnt en tranen worden gewist. Dat is herstel. Niet terug naar Eden alsof niets is gebeurd, maar een schepping die door oordeel, kruis en opstanding heen tot haar vervulling komt.
Daarmee wordt verlossing uiteindelijk groter dan het individu. God redt niet alleen losse zielen uit een zinkende wereld. Paulus spreekt over de schepping zelf die zucht en uitziet naar bevrijding. Heel de werkelijkheid draagt de gevolgen van verval en ziet uit naar vernieuwing.
Daarom is Christus’ werk ook kosmisch. Alle dingen zijn door Hem geschapen en bestaan door Hem. Kolossenzen durft zelfs te spreken over alle dingen die door Hem met God verzoend worden. Wij hebben eerder gezien dat dit niet automatisch betekent dat ieder individueel rationeel wezen uiteindelijk gered wordt. Maar het betekent wel dat verlossing niet klein is. Zij is Gods antwoord op wat zonde met zijn schepping heeft gedaan.
Christus wordt in het Nieuwe Testament bovendien voorgesteld als begin van een nieuwe mensheid. Paulus noemt Hem de laatste Adam. Adam staat voor de mensheid waarin zonde en dood binnenkomen, terwijl Christus staat voor een nieuwe mensheid waarin leven verschijnt. Daarom schrijft Paulus dat zoals de dood door een mens gekomen is, ook de opstanding van de doden door een mens komt.
Ook hier moeten wij voorzichtig blijven met de universele taal die daarop volgt. Maar de structuur is duidelijk genoeg. Christus komt niet alleen om afzonderlijke overtredingen te administreren. In Hem begint iets nieuws met de mens zelf.
Daarmee ontstaat misschien een vraag die nog dieper gaat dan onze eerdere vraag naar vrije wil: wat als redding niet primair betekent dat God mijn bestaande wil onaangeroerd respecteert, maar dat Hij mij herschept tot de mens die in Christus werkelijk vrij kan leven?
Dan blijkt het nieuwe hart geen bijzaak te zijn. Het wordt wezenlijk voor verlossing. Een mens met hetzelfde hart, dezelfde haat, dezelfde slavernij en dezelfde vervreemding is niet werkelijk gered alleen omdat zijn omgeving verandert. Zelfs een paradijs zou voor zo iemand geen paradijs zijn. Hij zou zijn gevangenis met zich meedragen.
Daarom moet verlossing ook innerlijk worden. God moet niet alleen een deur openen, maar de gevangene bevrijden. Hij moet niet alleen schuld wegnemen, maar ook de macht die steeds opnieuw schuld voortbrengt. Hij moet niet alleen zeggen dat iemand welkom is, maar werkelijk herstellen wat hem verhindert thuis te zijn.
Dat brengt ons opnieuw bij het kind uit het eerste deel. Het kind kan weglopen, verdwalen, verkeerde stemmen volgen en uiteindelijk zelfs boos worden op het huis waaruit het vertrokken is. Maar redding zou dan niet alleen betekenen dat de Vader zegt dat er geen straf meer volgt. Werkelijke redding betekent ook dat het kind opnieuw kan herkennen wat thuis is.
Dat is veel dieper. En het maakt onze vraag naar verlorenheid opnieuw moeilijk. Als verlorenheid een toestand is waarin de mens niet alleen verkeerd geplaatst is maar werkelijk van binnenuit vervreemd is geraakt, kan redding niet simpelweg uit verplaatsing bestaan. De mens zelf moet veranderen.
Dat verklaart waarom het evangelie bekering vraagt. Niet omdat God administratief nog één laatste vinkje nodig heeft, maar omdat bekering een andere richting betekent. De mens keert om, begint anders te zien en leert anders te verlangen. Toch hebben wij in eerdere delen gezien dat dit niet volledig uit menselijke kracht ontstaat. God trekt, opent, geeft zijn Geest, geeft een nieuw hart en werkt zelfs in het willen. Christus maakt vrij.
Verlossing is daarom tegelijk iets waarop de mens werkelijk antwoordt en iets wat God in hem tot stand brengt. Wanneer wij alleen menselijke keuze benadrukken, wordt genade gemakkelijk een aanbod dat uiteindelijk machteloos staat tegenover een autonome wil. Wanneer wij alleen Gods handelen benadrukken zonder menselijke verantwoordelijkheid, dreigt de persoon zelf te verdwijnen.
De Schrift lijkt beide uitersten te weigeren. God redt mensen, geen poppen. Mensen die werkelijk antwoorden, liefhebben, vertrouwen en gehoorzamen. Maar juist diezelfde mensen kunnen uiteindelijk alleen zeggen dat zij door genade zijn wat zij zijn.
Daarom kunnen wij redding niet beschrijven alsof de mens zichzelf via één juiste keuze uit zijn toestand trekt. Een slaaf verbreekt niet vanzelf zijn eigen ketenen, een dode maakt zichzelf niet levend en een blinde geeft zichzelf geen zicht. Dit zijn beelden die de Schrift zelf gebruikt en zij zeggen iets belangrijks: genade moet werkelijk iets doen wat de mens niet eenvoudig uit zichzelf tot stand kon brengen.
Dat betekent niet dat de menselijke wil betekenisloos wordt. Het betekent dat de wil zelf deel is van wat gered moet worden.
Daarom is de vraag of iemand gered wil worden uiteindelijk ingewikkelder dan zij klinkt. Wij moeten ook vragen hoe vrij zijn wil nog is om redding werkelijk als redding te herkennen. Een mens kan bevrijding afwijzen omdat hij van zijn ketenen houdt. Hij kan waarheid afwijzen omdat zijn identiteit op een leugen gebouwd is. Hij kan God afwijzen omdat de God die hij afwijst nauwelijks overeenkomt met wie God werkelijk is. Maar hij kan God ook werkelijk beginnen te herkennen en Hem toch afwijzen. Wij hebben beide mogelijkheden serieus genomen.
Verlossing moet daarom zowel waarheid brengen als het hart bereiken. Alleen weten is niet genoeg. Alleen pijn ervaren is niet genoeg. Alleen aan straf ontsnappen is niet genoeg. De mens moet opnieuw leren liefhebben.
En daarmee raakt verlossing uiteindelijk aan de kern van de menselijke roeping. Jezus vat de wet samen in liefde tot God en liefde tot de naaste. Als dit de volheid van menselijke gehoorzaamheid beschrijft, kan verlossing niet voltooid zijn zolang de mens alleen correct handelt uit angst voor straf. Een volmaakt gehoorzame maar innerlijk vijandige mens zou nog steeds niet het einddoel zijn.
God zoekt geen nieuwe schepping die alleen bestaat uit onderworpen wezens die niets verkeerd meer durven doen omdat zij voldoende bang zijn. Het nieuwe verbond spreekt over Gods wet die in het hart geschreven wordt. Daar verandert gehoorzaamheid van buiten naar binnen. De wil zelf wordt geordend.
Misschien is dat waarom de Bijbel uiteindelijk zo nadrukkelijk over liefde spreekt. Liefde is niet slechts één goede daad naast andere goede daden. Zij beschrijft een mens die zo veranderd is dat het goede niet uitsluitend van buitenaf hoeft te worden opgelegd. Hij leert willen wat leven geeft, niet volmaakt vanuit zichzelf, maar omdat Gods leven werkelijk in hem werkt.
Als dat waar is, wordt ook onze eerdere vraag naar de hemel scherper. De heiligen zijn niet vrij omdat zij eeuwig op de rand van rebellie staan en telkens opnieuw besluiten niet te vallen. Zij zijn vrij omdat zonde niet langer hun meester is. Zij kunnen God zien zonder Hem als bedreiging te ervaren en kunnen liefhebben zonder zichzelf te verliezen. Misschien wordt hun identiteit juist vollediger naarmate zij meer in God leven.
Daar raakt verlossing aan iets wat verder gaat dan alleen genezing. Het gaat om deelname aan Christus. Paulus spreekt voortdurend over in Christus zijn. Niet alleen naast Christus staan of door Christus juridisch worden vrijgesproken, maar in Hem leven. Zijn dood wordt onze dood, zijn leven wordt ons leven en zijn opstanding wordt de belofte van onze opstanding.
De christelijke verlossing betekent daarom niet alleen ontvangen wat Christus bezit, maar verbonden worden met Hem. Dat is mysterieus, maar wezenlijk. Gods doel lijkt niet alleen te zijn dat mensen juridisch veilig voor Hem kunnen staan. Hij trekt hen binnen in gemeenschap met zijn eigen leven.
Dat betekent niet dat de persoon oplost in God of terugkeert naar een onpersoonlijke bron. Dat zou iets anders zijn dan de christelijke hoop. De persoon blijft persoon. De bestemming is gemeenschap, niet opheffing van identiteit.
Daarom moet ook een gedachte worden afgewezen waarin alles wat iemand is uiteindelijk verdwijnt en slechts een zuivere kern terugkeert naar een goddelijke oorsprong. De Bijbelse hoop is opstanding en herstel van personen. God redt geen anonieme essenties. Hij redt mensen.
De opgestane Christus blijft Jezus. Zijn geschiedenis verdwijnt niet en zelfs zijn wonden blijven herkenbaar. Dat is bijzonder belangrijk. Volmaakte verlossing betekent blijkbaar niet dat geschiedenis wordt uitgewist. Zij wordt verlost.
Daarom kunnen wij hopen op een eeuwigheid waarin mensen niet minder zichzelf zijn, maar juist vollediger. Zij worden niet meer uitsluitend bepaald door wat hen gebroken heeft, door wat zij anderen hebben aangedaan of door wat hun zelf is aangedaan. Hun geschiedenis wordt niet ontkend, maar zonde krijgt niet langer de macht om de laatste betekenis van die geschiedenis vast te leggen.
Misschien is dat wat het werkelijk betekent dat Christus redt. Hij redt ons niet alleen van iets wat ons na de dood zou kunnen overkomen. Hij redt ons uit alles wat ons geworden is door zonde en vervreemding, en Hij brengt ons naar een vorm van leven die wij nu nog maar gedeeltelijk kennen.
Daarom doet het evangelie zichzelf tekort wanneer het wordt gereduceerd tot de boodschap dat wij het juiste moeten geloven om niet naar de hel te gaan. De hel kan niet losgemaakt worden van de ernst van het evangelie, maar zij is niet het middelpunt ervan. Christus is dat.
De diepste vraag van het evangelie is daarom niet alleen hoe wij straf kunnen ontlopen, maar wat er met een mens gebeurt wanneer Christus hem werkelijk redt. Hij wordt vergeven, maar die vergeving staat niet op zichzelf. Hij wordt gevonden, bevrijd, verzoend, vernieuwd en levend gemaakt, en de uiteindelijke christelijke hoop is dat dezelfde persoon eens zal worden opgewekt.
Misschien begrijpen wij daardoor ook Gods oordeel verkeerd wanneer wij het uitsluitend tegenover verlossing plaatsen. Oordeel en redding zijn niet hetzelfde, en de Schrift kent werkelijk oordeel dat als verlies wordt beschreven. Maar de Rechter en de Redder zijn dezelfde Christus. Dat betekent dat beide voortkomen uit dezelfde waarheid over God.
Hij redt niet door leugen toe te laten en Hij oordeelt niet door liefde te vergeten. Zijn uiteindelijke handelen zal daarom niet bestaan uit een compromis tussen waarheid en liefde, alsof beide elkaar ergens halverwege moeten ontmoeten. In God zijn zij nooit werkelijk van elkaar gescheiden geweest.
Daarom blijft onze centrale vraag over ieder mens nog open. Hoe ver reikt deze verlossing uiteindelijk? Wordt ieder stenen hart ooit een hart van vlees? Wordt iedere vijandschap ooit werkelijk verzoend? Of bestaan er menselijke personen die uiteindelijk zo definitief buiten deze vernieuwing blijven dat hun verlorenheid blijvend is?
De Schrift heeft ons daar nog geen eenvoudig antwoord op gegeven en wij moeten dat antwoord niet forceren.
Maar wij weten inmiddels beter wat de vraag zelf betekent. Het gaat niet alleen om wie welke straf ontvangt. Het gaat om wat God met zijn schepsel doet, wat Christus werkelijk kwam herstellen, wat van de mens moet sterven en wat God wil behouden. Het gaat uiteindelijk om de vraag of iemand die niet meer slaaf is van leugen, angst, trots, begeerte en dood minder zichzelf wordt, of juist voor het eerst werkelijk zichzelf.
Misschien komt het uiteindelijk hierop neer: Christus redt de mens niet alleen van wat hem na de dood zou kunnen overkomen. Hij redt hem van alles wat hem ervan weerhoudt werkelijk te leven in God.
En wanneer wij dat beginnen te begrijpen, ontstaat vanzelf de andere helft van de vraag.
Als dit is waarvan de mens wordt gered, waartoe wordt hij dan gered?