Terug naar Geschriften
Deel 9|08 augustus 2026NL

Waartoe wordt de mens gered?

16 minuten leestijd

Verlossing betekent niet alleen dat de mens wordt bevrijd van zonde, slavernij, vervreemding en dood. De Schrift spreekt ook over een bestemming: de mens is geschapen naar Gods beeld, wordt in Christus vernieuwd en geroepen tot gemeenschap met God, met anderen en met een vernieuwde schepping. Dit geschrift onderzoekt daarom niet alleen wat God uit de mens verwijdert, maar waartoe Hij hem herstelt. Want pas wanneer wij begrijpen waarvoor de mens bedoeld is, begrijpen wij ook volledig waarom alles wat hem daarvan wegtrekt werkelijk verlorenheid is.

Onderdeel van de reeks

Vrije wil, oordeel en eeuwigheid

Deel 9 van 12

Bekijk de volledige reeks

Wanneer wij vragen waarvan de mens gered wordt, kijken wij vanzelf naar alles wat verkeerd is gegaan: naar zonde, schuld, slavernij, vervreemding, verharding en dood. Dat is noodzakelijk, want het evangelie spreekt werkelijk over bevrijding uit deze werkelijkheden. Maar als wij daar stoppen, blijft verlossing vooral een antwoord op een probleem. Dan lijkt Gods werk voornamelijk reparatie van schade. De Schrift spreekt echter ook over iets dat vóór onze zonde ligt en verder reikt dan alleen herstel: er was vanaf het begin een bedoeling met de mens.

In Genesis wordt de mens geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Die woorden zijn zo bekend geworden dat wij soms nauwelijks nog beseffen hoe groot de gedachte is. De mens is niet slechts één levend wezen tussen andere levende wezens. Hij ontvangt een bijzondere plaats binnen de schepping en wordt verbonden aan Gods beeld. Wat dat precies allemaal omvat, is door de eeuwen heen verschillend uitgelegd. Het heeft te maken met vertegenwoordiging, verantwoordelijkheid, relationaliteit en de bijzondere wijze waarop de mens zich bewust tot God kan verhouden. Maar één ding lijkt duidelijk: de betekenis van de mens kan niet volledig uit de mens zelf worden verklaard. Wij begrijpen wie wij zijn pas werkelijk wanneer wij kijken naar degene naar wiens beeld wij geschapen zijn.

Dat maakt zonde onmiddellijk groter dan alleen overtreding van regels. Wanneer een mens liegt, gebruikt, vernederd, overheerst of zichzelf tot middelpunt maakt, overtreedt hij niet slechts een goddelijk voorschrift. Hij vervormt iets van de menselijkheid waarvoor hij geschapen is. Zonde beschadigt niet alleen onze verhouding tot God, maar ook de wijze waarop het beeld van God in ons leven zichtbaar behoort te worden. Daarom is verlossing meer dan teruggebracht worden naar een neutrale toestand waarin de straf verdwenen is. God bevrijdt de mens niet alleen van wat verkeerd is, maar herstelt hem in de richting waarvoor hij oorspronkelijk bedoeld was.

Het Nieuwe Testament maakt die bestemming zichtbaar in Christus. Paulus noemt Christus het beeld van de onzichtbare God. Dat is belangrijk, omdat wij daardoor niet naar een abstract ideaal hoeven te kijken om te begrijpen wat volmaakte menselijkheid betekent. In Christus zien wij niet alleen wie God is, maar ook wat de mens in volkomen gehoorzaamheid aan God kan zijn. Heiligheid wordt in Hem geen vermindering van menselijkheid, maar juist menselijkheid zonder vervorming. Christus is volmaakt gehoorzaam zonder passief te zijn, volmaakt liefdevol zonder zwak te worden, nederig zonder zijn waardigheid te verliezen en waarachtig zonder hardheid.

Daarom spreekt Paulus over gelovigen die vernieuwd worden naar het beeld van hun Schepper en uiteindelijk gelijkvormig worden aan het beeld van Christus. Dat is een veel grotere bestemming dan alleen veiliggesteld worden voor de eeuwigheid. De mens wordt gered om werkelijk mens te worden naar het patroon van Christus.

Daar moeten wij zorgvuldig mee omgaan. Gelijkvormigheid aan Christus betekent niet dat iedere menselijke persoon uiteindelijk dezelfde persoonlijkheid krijgt. Het evangelie wist individualiteit niet uit. De apostelen blijven verschillende mensen. Petrus wordt niet Johannes en Paulus wordt niet Petrus. Hun geschiedenis, karakter en roeping verdwijnen niet doordat zij Christus volgen. Juist daardoor ontstaat een belangrijk onderscheid tussen persoonlijkheid en vervorming. Niet alles wat uniek aan ons is, moet verdwijnen, maar niet alles wat wij uniek zijn gaan noemen behoort werkelijk tot wie wij bedoeld zijn te zijn.

Een scherp karakter hoeft niet vernietigd te worden, maar kan bevrijd moeten worden van hardheid. Kracht hoeft niet te verdwijnen, maar kan bevrijd moeten worden van overheersing. Gevoeligheid hoeft niet te verdwijnen, maar kan bevrijd moeten worden van angst die haar beheerst. Verlangen hoeft niet gedood te worden omdat verlangen zelf slecht is, maar kan opnieuw gericht moeten worden op wat werkelijk leven geeft. Misschien betekent heiliging daarom niet dat God menselijke verschillen gladstrijkt, maar dat Hij ze zuivert van wat hen tot instrumenten van zonde heeft gemaakt.

Dat sluit rechtstreeks aan bij onze eerdere vraag over identiteit. Wanneer Christus redt, verwijdert Hij niet de persoon om er een religieuze kopie voor in de plaats te zetten. Hij herstelt de persoon. Dat kan ingrijpend zijn, juist omdat wij een deel van onze vervorming zo diep met onszelf hebben verbonden dat genezing soms als verlies voelt. De hoogmoedige mens kan zich zonder zijn superioriteitsgevoel eerst klein voelen. De controlerende mens kan vertrouwen ervaren als zwakte. De verbitterde mens kan vrezen dat vergeving betekent dat het onrecht niet meer serieus genomen wordt. Een mens die jarenlang identiteit heeft ontleend aan status, bezit, verlangen of strijd kan werkelijk niet weten wie hij zonder die dingen is.

Dan kan verlossing aanvankelijk voelen alsof God iets wegneemt dat tot ons behoort. Maar misschien wordt juist daar zichtbaar hoeveel wij verloren waren. Als God alleen kon redden zonder iets aan ons te veranderen, zou Hij uiteindelijk onze vervorming moeten vereeuwigen. De christelijke hoop zegt juist het tegenovergestelde. Wat ons tot slaaf maakt, wordt niet geheiligd door het eenvoudig mee te nemen naar de eeuwigheid. Wij worden vernieuwd.

Daarmee komt het woord kindschap in beeld. De mens wordt niet alleen gered als onderdaan, niet alleen als vrijgesproken verdachte en niet alleen als genezen patiënt. Paulus spreekt over adoptie, over de Geest waardoor wij God als Vader aanspreken en over mensen die kinderen en erfgenamen van God worden genoemd. Dat is opvallend intieme taal. Het doel van verlossing is blijkbaar niet alleen dat God en mens niet langer vijanden zijn. Het is gemeenschap.

Daarmee keren we terug naar Johannes 17, waar eeuwig leven wordt verbonden aan het kennen van God en Jezus Christus. Redding bereikt haar doel niet wanneer de mens alleen weet dat God bestaat. Bijbels kennen is meer dan informatie bezitten. Een mens kan veel ware dingen over God weten en Hem toch niet vertrouwen. Hij kan de juiste leer kennen en Hem niet liefhebben. Hij kan zelfs weten dat God één is en Hem vrezen zonder gemeenschap met Hem te kennen. De bestemming van de mens is daarom niet alleen juiste kennis, maar relationele kennis.

Dat helpt ons begrijpen waarom liefde uiteindelijk zo centraal staat. Jezus vat de menselijke roeping samen in liefde tot God en liefde tot de naaste. Misschien zegt dit meer over de uiteindelijke bestemming van de mens dan wij soms beseffen. Gods doel is niet slechts dat wij niets verkeerd meer doen. Hij vormt mensen die werkelijk kunnen liefhebben. Dat is veel dieper dan gedragsbeheersing. Een mens kan gehoorzamen uit angst, regels volgen omdat er toezicht is en kwaad vermijden omdat de consequenties hem afschrikken. Liefde kan echter niet volledig worden teruggebracht tot gecontroleerd gedrag.

Daarom moet verlossing uiteindelijk tot het hart reiken. Dat betekent dat God niet slechts een volmaakt gecontroleerde wereld bouwt waarin niemand meer in staat is elkaar te beschadigen. De Bijbelse hoop lijkt verder te gaan: een wereld waarin gerechtigheid woont omdat de mensen die daarin leven werkelijk vernieuwd zijn.

Dan wordt de hemel niet een gevangenis met perfecte beveiliging, maar een werkelijkheid waarin liefde niet meer voortdurend beschermd hoeft te worden tegen de slavernij van zonde. Daar raken vrijheid en bestemming elkaar opnieuw. Wij hebben eerder gezien dat vrijheid niet noodzakelijk betekent dat het kwaad altijd als levende optie beschikbaar moet blijven. God is volmaakt vrij en toch niet in staat tot leugen in de zin dat leugen niet tot zijn heilige wezen behoort. De verloste mens kan daarom werkelijk vrij worden zonder dat zijn vrijheid afhankelijk blijft van een eeuwige mogelijkheid opnieuw slaaf te worden.

Misschien is dat juist de paradox van onze huidige toestand: wij noemen het vermogen om kwaad te kiezen vaak vrijheid, terwijl Christus zonde juist slavernij noemt. Als dat waar is, wordt de mens niet gered ondanks het verdwijnen van de heerschappij van zonde, maar juist door dat verdwijnen.

De menselijke bestemming gaat echter verder dan morele zuiverheid. Paulus spreekt over de opstanding, en dat is cruciaal. De hoop van het christendom is niet dat onze ziel uiteindelijk ontsnapt uit de lichamelijke werkelijkheid om voor altijd ergens anders te bestaan. Christus staat lichamelijk op en de apostolische verwachting is dat ook de mens wordt opgewekt. Dat betekent dat onze lichamelijkheid geen fout is waarvan God ons uiteindelijk moet bevrijden. Ons lichaam behoort tot de schepping die God wil vernieuwen.

Daarmee krijgt de bestemming van de mens een concreet karakter. Wij worden niet gered om minder menselijk te worden, maar om volledig mens te worden in een werkelijkheid waarin dood, verval en zonde niet langer heersen. Dat maakt de christelijke hoop opvallend aards. Openbaring eindigt niet met mensen die de schepping voorgoed verlaten. Er verschijnt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en God woont bij de mensen.

De richting is bijna omgekeerd aan hoe wij haar soms voorstellen. Wij denken vaak dat mensen uiteindelijk naar God vertrekken. Openbaring laat juist zien dat Gods woonplaats bij de mensen komt. Het uiteindelijke doel is daarom niet vlucht uit Gods schepping, maar Gods aanwezigheid die de schepping volledig vervult.

Daarom kan verlossing niet alleen individueel worden begrepen. Wij worden gered tot gemeenschap, niet alleen gemeenschap met God, maar ook met elkaar. Dat is misschien moeilijker te bevatten dan individuele zaligheid, omdat wij elkaar nu nog door vervormde ogen kennen. Wij vergelijken, wantrouwen, begeren, idealiseren, gebruiken, vrezen en beoordelen. Zelfs onze liefde is vermengd met behoefte, angst en zelfbescherming.

Wat betekent het dan om in een vernieuwde schepping een ander mens te ontmoeten zonder deze vervormingen? Misschien behoort ook dat tot de bestemming van de mens: een ander werkelijk kunnen zien zonder hem tot middel voor onze eigen behoefte te maken, kunnen liefhebben zonder te bezitten en nabij kunnen zijn zonder angst. Verschil hoeft dan geen bedreiging meer te zijn.

Daarin wordt opnieuw iets van het beeld van God zichtbaar. De mens is niet geschapen voor geïsoleerde zelfstandigheid, maar voor relatie. Daarom kan de eeuwigheid niet alleen bestaan uit miljoenen individuele gelukservaringen waarin ieder mens afzonderlijk met God bezig is. Het Bijbelse beeld is een volk, een stad, een bruiloft, een lichaam, een koninkrijk en een vernieuwde schepping. Het zijn beelden van verbondenheid.

Dat betekent dat redding ook herstel van menselijke gemeenschap is. En juist daarom wordt opnieuw duidelijk waarom oordeel noodzakelijk is. Een gemeenschap kan niet werkelijk hersteld worden wanneer waarheid over wat mensen elkaar hebben aangedaan verborgen blijft. Er kan geen volmaakte gemeenschap bestaan op basis van vergeten onrecht. Het slachtoffer kan niet simpelweg worden gevraagd zijn geschiedenis achter zich te laten zodat de eeuwigheid aangenaam blijft.

Als God mensen werkelijk tot gemeenschap redt, moet waarheid de relaties binnengaan die zonde heeft beschadigd. Dat maakt onze centrale gedachte uit deel 3 opnieuw belangrijk. In het oordeel wordt de mens geconfronteerd met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God. Misschien heeft die waarheid ook een gemeenschappelijke dimensie. Wij zullen niet alleen zien wat wij tegenover God waren, maar ook wat wij voor elkaar zijn geweest.

Hoeveel woorden die wij vergaten heeft iemand anders jarenlang gedragen? Welke beslissing die voor ons klein leek heeft een ander gevormd? Waar hebben wij liefde ontvangen en haar als vanzelfsprekend behandeld? Waar hebben wij iemand gereduceerd tot functie, lichaam, obstakel, bezit of vijand? Als de nieuwe schepping werkelijk gemeenschap is, kan dit niet eeuwig onder het oppervlak blijven liggen.

Maar juist daarom kan verlossing niet alleen uit onthulling bestaan. Er moet ook herstel zijn. Hier moeten wij terughoudend blijven, want de Schrift geeft ons geen volledige beschrijving van hoe beschadigde menselijke relaties in de opstanding worden hersteld. Wij mogen daar geen details aan toevoegen. Maar we weten wel dat Gods toekomst niet opnieuw een samenleving van verborgen vijandschap is. Gerechtigheid woont daar, liefde blijft en tranen worden gewist. Dat betekent ten minste dat wat ons nu van elkaar vervreemdt niet het laatste woord krijgt.

Daarmee begint het woord vrede groter te worden. Bijbelse vrede is meer dan afwezigheid van conflict. Het heeft iets van heelheid, van dingen die weer in de verhouding staan waarin zij behoren te staan. Mens en God, mens en mens, mens en zichzelf, en mens en schepping. Misschien is dat een bruikbare manier om de bestemming van verlossing samen te vatten: God herstelt de verhoudingen die door zonde uit hun orde zijn geraakt.

Dat betekent niet dat alles teruggaat naar hoe het ooit was. Opstanding is meer dan terugkeer. Christus staat op met zijn wonden, maar Hij keert niet eenvoudig terug naar hetzelfde sterfelijke bestaan dat Hij vóór het kruis had. Er is continuïteit en tegelijk verheerlijking. Paulus spreekt daarom over een opgewekt lichaam dat onvergankelijk is.

Dat woord raakt aan de hele reeks. Wij kennen nu vrijheid die kan verharden, liefde die kan omslaan, lichamen die sterven, samenlevingen die uiteenvallen en herinneringen die verdwijnen. De opstanding wijst naar een werkelijkheid waarin verval niet meer de uiteindelijke wet van ons bestaan is.

Daarom wordt de mens ook gered van vergankelijkheid. Niet alleen van moreel kwaad. De dood is een vijand. Dat betekent dat de christelijke bestemming niet simpelweg verzoening met onze sterfelijkheid is. Het evangelie zegt niet dat wij uiteindelijk moeten leren dat dood eigenlijk goed is. Paulus noemt haar de laatste vijand. God vernietigt de dood omdat de dood niet past bij de volheid van het leven dat Hij bedoelt.

Daarom is opstanding geen appendix van de christelijke leer. Zij laat zien waartoe God redt: tot leven.

En dat leven wordt in het Nieuwe Testament op bijna duizelingwekkende wijze verbonden met deelname aan Gods eigen leven. Petrus spreekt over deel krijgen aan de goddelijke natuur. De oosterse christelijke traditie heeft daar later sterk over nagedacht in termen van vergoddelijking of theosis. Dat kan misleidend klinken wanneer het wordt opgevat alsof de mens uiteindelijk zelf God wordt. Dat is niet de christelijke bedoeling.

De Schepper blijft Schepper en het schepsel blijft schepsel. De menselijke persoon lost niet op in Gods wezen. Maar de Schrift durft wel uitzonderlijk intieme taal te gebruiken over gemeenschap met God, over de Geest die in de mens woont, over Christus in ons, over kinderen van God en over deelname aan Gods leven. Blijkbaar is Gods bedoeling niet slechts dat wij op veilige afstand van Hem blijven als gehoorzame schepselen. Hij trekt ons nabij.

Dat maakt onze bestemming relationeel tot in het diepste niveau. Misschien begrijpen wij daarom de mens verkeerd wanneer wij hem voorstellen als een zelfstandig wezen dat eerst volledig zichzelf moet worden en daarna eventueel een relatie met God kan aangaan. Volgens de Schrift ligt onze ware identiteit juist in relatie tot onze Schepper. Niet omdat God onze persoonlijkheid verdringt, maar omdat wij nooit onafhankelijk van Hem bedoeld waren.

Dat sluit rechtstreeks aan bij deel 2. Wij hebben ons eigen bestaan niet gekozen en wij hebben de werkelijkheid niet ontworpen. Wij bestaan ontvangen. Misschien geldt hetzelfde voor onze uiteindelijke voltooiing. Wij worden niet volledig mens door onszelf uiteindelijk los te maken van iedere afhankelijkheid. Wij worden volledig mens door eindelijk zonder verzet te ontvangen dat ons bestaan altijd gave was.

Dat staat haaks op een voorstelling van vrijheid waarin zelfstandigheid het hoogste goed is. Het evangelie lijkt te zeggen dat volledige afhankelijkheid van God en volledige menselijke vrijheid uiteindelijk geen tegenstellingen zijn. Christus zelf wordt opnieuw het voorbeeld. Zijn gehoorzaamheid aan de Vader maakt Hem niet minder zichzelf. Zijn liefde tot de Vader vernietigt zijn persoon niet. Juist in die volmaakte verhouding wordt zichtbaar wie Hij is.

Misschien geldt dat op geschapen wijze ook voor ons. Wij worden niet verlost van afhankelijkheid van God. Wij worden verlost van de leugen dat afhankelijkheid van God slavernij is.

Daarmee keren wij uiteindelijk terug naar Genesis. De slang presenteert Gods grens als een beperking die de mens ervan weerhoudt werkelijk te worden wat hij kan zijn. De suggestie is dat meer zelfstandigheid ten opzichte van God tot grotere menselijkheid leidt. Het evangelie keert die beweging om. Hoe verder de mens van God verwijderd raakt, hoe meer hij uiteindelijk ook zichzelf kwijtraakt. Hoe dieper hij in Christus met God verzoend wordt, hoe meer zijn ware menselijkheid hersteld wordt.

Dan wordt verlossing niet terugkeer naar een gevangen gehoorzaamheid, maar thuiskomen in de werkelijkheid waarvoor wij bedoeld waren.

Daarom kan de vraag waartoe de mens wordt gered niet met één enkel woord worden beantwoord. Hij wordt gered tot gemeenschap met God en tot gemeenschap met anderen. Hij wordt gered tot heiligheid zonder karakterloosheid, tot vrijheid zonder autonomie tegenover zijn Schepper, tot opstanding zonder ontkenning van zijn geschiedenis en tot liefde zonder verlies van persoonlijkheid. Hij wordt gered tot een vernieuwde schepping waarin alles wat God oorspronkelijk goed noemde niet wordt weggegooid, maar bevrijd wordt van wat het heeft aangetast.

En boven dit alles staat Christus. Misschien is dat uiteindelijk het eenvoudigste antwoord. De mens wordt gered tot Christus, niet omdat Christus slechts de bestemming vervangt die wij anders hemel zouden noemen, maar omdat alles wat wij over de uiteindelijke mens proberen te zeggen in Hem samenkomt. Hij is het beeld van God, de ware mens, de Eerstgeborene uit de doden, het begin van de nieuwe schepping en degene door wie wij met God verzoend worden. Volgens Paulus worden wij uiteindelijk naar zijn beeld gevormd.

Dat betekent dat verlossing niet eindigt met de vraag of wij ergens binnen zijn gekomen. De diepere vraag is wie wij geworden zijn. Misschien is dat ook waarom de christelijke hoop tegelijk persoonlijk en onvoorstelbaar groot is. God wil niet alleen dat de mens blijft bestaan. Eeuwig voortbestaan op zichzelf zou nog geen redding zijn. Een mens kan immers ook blijven bestaan in haat, angst en vervreemding.

Leven in Bijbelse zin is meer. Het is bestaan zoals de mens bedoeld is te bestaan, in waarheid, liefde en gemeenschap, vrij van de heerschappij van zonde en dood en volledig gericht op de God uit wie al het leven voortkomt.

Daarom wordt de mens uiteindelijk niet gered om minder zichzelf te worden. Hij wordt gered van alles wat hem ervan weerhoudt werkelijk zichzelf te zijn. Dat blijft een moeilijke gedachte, omdat wij onszelf nooit volledig hebben gekend zonder de invloed van angst, begeerte, trots, sterfelijkheid en verwonding.

God wel.

Hij kent wat door ons eigen handelen vervormd is en wat anderen in ons beschadigd hebben. Hij kent wat werkelijk bij ons hoort en wat wij zijn gaan dragen omdat wij niet anders wisten. Daarom kan zijn verlossing dieper gaan dan onze eigen voorstelling van identiteit.

Misschien ligt daar ook iets van de hoop die door deze hele reeks loopt. Niet de zekerheid dat wij precies weten hoe God iedere menselijke geschiedenis zal beëindigen, maar het vertrouwen dat Hij beter weet wat een mens werkelijk is dan de mens zelf.

Als Hij redt, redt Hij geen abstracte ziel. Hij redt een persoon, niet om die persoon op te lossen, zijn geschiedenis te wissen of hem terug te brengen tot een onpersoonlijke zuiverheid, maar om hem uiteindelijk te laten leven in de waarheid waarvoor hij geschapen werd.

Misschien komt het uiteindelijk hierop neer: de mens wordt niet alleen gered van de hel, van straf, van zonde of zelfs van de dood. Hij wordt gered voor God. Juist daarin wordt hij ook gered voor zichzelf, voor de ander en voor de schepping waarvan hij altijd deel heeft uitgemaakt.

Wanneer dat volledig werkelijkheid wordt, zal verlossing niet alleen betekenen dat iets verschrikkelijks voorbij is. Het zal betekenen dat de mens eindelijk is aangekomen bij datgene waarvoor hij vanaf het begin bedoeld was.