Terug naar Geschriften
Deel 10|08 augustus 2026NL

Wat betekent het om God werkelijk te kennen?

17 minuten leestijd

De Schrift verbindt eeuwig leven niet alleen aan voortbestaan, maar aan het kennen van God en Jezus Christus. Toch kan een mens veel over God weten zonder Hem werkelijk te kennen. Dit geschrift onderzoekt daarom het verschil tussen kennis over God en kennis van God, en wat er gebeurt wanneer verkeerde beelden, angst, zelfmisleiding en menselijke projecties wegvallen. Als het oordeel uiteindelijk plaatsvindt in de volledige waarheid van God, ontstaat een fundamentele vraag: wat betekent het voor de menselijke vrijheid wanneer God niet langer wordt gezien door de vervormingen waarmee wij Hem tijdens ons leven hebben leren begrijpen?

Onderdeel van de reeks

Vrije wil, oordeel en eeuwigheid

Deel 10 van 12

Bekijk de volledige reeks

Wanneer Jezus in Johannes 17 spreekt over het eeuwige leven, beschrijft Hij het op een manier die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Hij zegt niet eerst dat eeuwig leven betekent dat een mens voor altijd blijft bestaan. Hij verbindt het met het kennen van de enige ware God en van Jezus Christus die door Hem gezonden is. Daarmee plaatst Hij kennis van God in het hart van de menselijke bestemming.

Dat roept onmiddellijk een vraag op, want mensen kunnen veel over God weten zonder Hem werkelijk te kennen. Iemand kan de Bijbel bestuderen, christelijke leer begrijpen, woorden als genade, oordeel en verlossing correct gebruiken en toch ver van God leven. De evangeliën laten zelfs zien dat mensen die bijzonder vertrouwd waren met de Schrift tegenover Christus konden staan zonder te herkennen wie Hij was. Kennis alleen beschermt de mens blijkbaar niet tegen blindheid.

Dat verschil tussen kennis over God en kennis van God is belangrijk voor deze hele reeks. Wij hebben steeds gevraagd hoe vrij een menselijke keuze werkelijk is wanneer zij gebaseerd is op beperkte kennis, misleiding, verharding en een wil die door zonde gevormd kan worden. Maar misschien moeten wij nog preciezer vragen wie de God is die een mens denkt af te wijzen.

Want een mens kan God afwijzen terwijl hij in werkelijkheid vooral een beeld van God afwijst.

Dat beeld kan ontstaan uit opvoeding, religieuze ervaringen, angst, verkeerde prediking, persoonlijke pijn of het gedrag van mensen die beweerden namens God te spreken. Voor de één kan God vooral een strenge toezichthouder zijn die op overtredingen wacht. Voor een ander is Hij een verre macht die zwijgt wanneer mensen lijden. Weer iemand anders ziet Hem als degene die vrijheid beperkt, verlangens onderdrukt en uiteindelijk gehoorzaamheid afdwingt met de dreiging van straf.

Sommige van deze beelden kunnen elementen bevatten die raken aan werkelijk Bijbelse eigenschappen van God. God oordeelt werkelijk, Hij stelt grenzen en Hij is niet onverschillig tegenover zonde. Maar een gedeeltelijke waarheid kan toch een vervormd totaalbeeld voortbrengen wanneer andere delen verdwijnen.

De vraag is daarom niet alleen of iemand zegt dat hij in God gelooft of Hem afwijst. De diepere vraag is welke God hij meent te kennen.

Dat maakt menselijke verantwoordelijkheid niet onbelangrijk. Een verkeerd godsbeeld kan niet automatisch als verontschuldiging voor iedere afwijzing worden gebruikt. Mensen kunnen ook ware dingen over God tegenkomen en ze bewust verdringen omdat zij niet willen wat die waarheid van hen vraagt. Wij hebben in eerdere delen gezien dat blindheid en verharding niet hetzelfde zijn. Er bestaat een verschil tussen iemand die niet ziet en iemand die niet wil zien, al weet uiteindelijk alleen God precies waar die grens in een mens loopt.

Toch blijft het van groot belang dat Christus zelf het volmaakte beeld van God wordt genoemd. Als wij willen weten wie God is, kunnen wij niet alleen beginnen bij onze angst, onze filosofie of zelfs bij losse Bijbelteksten die wij van elkaar isoleren. Het Nieuwe Testament brengt ons steeds terug naar Christus.

Dat heeft grote gevolgen voor onze voorstelling van God.

De God die oordeelt is niet onbekend gebleven. Hij heeft zich laten zien in Jezus Christus. Wij zien Hem mensen confronteren zonder hun menselijkheid te vernietigen. Wij zien Hem zonde benoemen zonder genoegen te scheppen in de vernedering van de zondaar. Wij zien Hem huichelarij hard aanpakken en tegelijk met ontferming omgaan met mensen die door anderen zijn afgeschreven. Wij zien Hem het verloren schaap zoeken, de verloren zoon ontvangen en bidden voor degenen die Hem kruisigen.

Wij zien ook dat Hij werkelijk oordeel aankondigt. Christus kan niet worden gereduceerd tot een vriendelijke bevestiging van iedere menselijke keuze. Zijn liefde is niet toegeeflijk tegenover datgene wat mensen vernietigt. Juist daarom kan Hij zowel genadig als scherp zijn zonder dat er twee verschillende karakters in Hem ontstaan.

Als Christus werkelijk laat zien wie God is, dan moeten wij de eigenschappen van God uiteindelijk ook in die eenheid leren begrijpen. Zijn rechtvaardigheid is niet iets wat naast zijn liefde bestaat alsof beide elkaar begrenzen. Zijn heiligheid is geen moment waarop zijn goedheid ophoudt. Zijn barmhartigheid betekent niet dat waarheid minder belangrijk wordt. Wij hebben deze dingen uit elkaar moeten halen om erover te kunnen spreken, maar in God zelf zijn zij niet verdeeld.

Misschien ontstaat een groot deel van onze verwarring juist doordat wij God proberen te begrijpen vanuit menselijke tegenstellingen. Wij kennen rechters die rechtvaardig kunnen zijn zonder liefde. Wij kennen ouders die vanuit liefde grenzen vermijden die eigenlijk nodig zijn. Wij kennen machthebbers die straf gebruiken uit gekrenkte trots en mensen die vergeving gebruiken om conflicten niet werkelijk onder ogen te hoeven zien. Vervolgens nemen wij deze menselijke ervaringen mee wanneer wij woorden als oordeel, vader, macht en liefde op God toepassen.

Maar als God werkelijk God is, kan Hij niet simpelweg een grotere versie van onze menselijke onvolmaaktheid zijn.

Daarom is Christus zo beslissend. In Hem krijgt de mens niet alleen meer informatie over God. In Hem wordt zichtbaar hoe Gods waarheid eruitziet wanneer zij een mens ontmoet.

Dat brengt ons terug bij het oordeel.

In deel 3 hebben wij de gedachte centraal gesteld dat de mens in het oordeel wordt geconfronteerd met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God. Tot nu toe hebben wij vooral stilgestaan bij de eerste helft: wat gebeurt er wanneer niets van ons eigen leven meer verborgen kan blijven?

Maar de tweede helft is minstens zo belangrijk.

Wat gebeurt er wanneer ook niets meer verborgen blijft van wie God werkelijk is?

Tijdens ons leven kennen wij Hem slechts ten dele. Paulus zegt dat wij nu ten dele kennen. Wij leven met geloof, interpretatie, herinnering, traditie, twijfel en menselijke taal. Zelfs wanneer wij God werkelijk kennen, kennen wij Hem niet volledig.

Wij kunnen Hem bovendien verkeerd begrijpen.

Wij kunnen onze angst voor Hem verwarren met heilig ontzag. Wij kunnen menselijke hardheid aan Hem toeschrijven. Wij kunnen onze eigen verlangens zo sterk op Hem projecteren dat wij een God maken die altijd bevestigt wat wij zelf al wilden. Wij kunnen Hem kleiner maken uit angst voor oordeel of juist harder maken uit angst voor genade.

Als niets meer verborgen blijft, kunnen zulke projecties niet blijven bestaan.

Dan ontmoet de mens niet langer alleen zijn idee van God.

Hij ontmoet God.

Daarmee wordt de vraag naar vrije wil opnieuw veel moeilijker.

Stel dat iemand tijdens zijn leven werkelijk zegt: ik wil God niet. Hoeveel zegt die uitspraak wanneer de God die hij afwijst grotendeels bestaat uit een beeld dat hij zelf heeft opgebouwd of ontvangen? Dat betekent niet dat zijn afwijzing betekenisloos is. Maar het betekent wel dat God alleen kan weten hoeveel van die afwijzing werkelijk op Hem gericht was.

Een mens kan een tiran afwijzen en denken dat hij daarmee God afwijst.

Een ander kan een God afwijzen die volgens hem onverschillig toekijkt bij lijden.

Weer iemand kan een religieus systeem afwijzen waarin hij vernedering, controle of hypocrisie heeft gezien en vervolgens concluderen dat hij daarmee Christus heeft afgewezen.

Soms zal daar ook zelfrechtvaardiging in zitten. Het is mogelijk een verkeerd beeld van God te gebruiken omdat dat beeld gemakkelijker af te wijzen is dan de werkelijke Christus. De mens kan een karikatuur nodig hebben om zijn eigen afstand tot God te rechtvaardigen.

Ook dat zal in volledige waarheid zichtbaar worden.

Daarom kan niemand vanuit de buitenkant precies bepalen wat een ander werkelijk heeft afgewezen.

God kan dat wel.

Hij weet welke waarheid iemand werkelijk ontvangen heeft. Hij weet welke vervormingen hem zijn opgelegd en welke vervormingen hij zelf heeft gekoesterd. Hij weet wanneer twijfel oprecht was en wanneer twijfel een bescherming werd tegen gehoorzaamheid. Hij weet wanneer een mens Christus niet herkende en wanneer hij Hem begon te herkennen maar zich toch terugtrok.

Dat maakt Gods oordeel niet minder precies. Het maakt het oneindig preciezer dan het onze.

Misschien helpt dit ook om een vraag uit het eerste deel opnieuw scherper te begrijpen. Wij spraken daar over het kind dat kan weglopen zonder volledig te begrijpen waarheen het gaat. Dat beeld blijft waardevol zolang wij niet vergeten dat het kind ouder kan worden. Een mens kan leren, ontvangen, weigeren en zich verharden. Hij blijft niet noodzakelijk onwetend.

Maar zelfs wanneer het kind jaren van huis is, kent alleen de Vader volledig wat het onderweg over thuis is gaan geloven.

Als dat beeld ergens raakt aan de werkelijkheid van God, dan betekent oordeel ook dat alle verkeerde verhalen over het huis verdwijnen.

Daarom kan het ontmoeten van God zowel bevrijdend als verschrikkelijk zijn.

Bevrijdend, omdat alle leugen over Hem verdwijnt.

Verschrikkelijk, omdat daarmee ook alle leugen verdwijnt waarmee wij onze eigen afstand tot Hem hebben verdedigd.

Misschien ligt daar een deel van het vuur waarover wij eerder hebben nagedacht. Niet omdat wij kunnen bewijzen dat ieder Bijbels beeld van vuur op deze manier moet worden uitgelegd, maar omdat de volledige waarheid van God onmogelijk neutraal kan zijn voor een mens die zijn identiteit op leugen heeft gebouwd. Wanneer God werkelijk gekend wordt, kan niets wat wij Hem ten onrechte hebben toegeschreven blijven staan.

Dan wordt ook duidelijk waarom Jezus zegt dat waarheid vrijmaakt.

Waarheid bevrijdt niet alleen doordat wij correcte informatie ontvangen. Zij vernietigt de macht van wat alleen kon bestaan zolang wij erin geloofden.

Een gevangene die ervan overtuigd is dat de deur op slot zit, kan binnen blijven terwijl de deur al openstaat. Zijn overtuiging is dan niet onbelangrijk omdat zij alleen in zijn hoofd bestaat. Zij bepaalt werkelijk hoe hij leeft. Wanneer hij ontdekt dat de deur open is, verandert de werkelijkheid buiten hem niet. Maar zijn verhouding tot die werkelijkheid kan volledig veranderen.

Menselijke vervreemding van God is natuurlijk veel dieper dan een intellectuele vergissing. Zonde is niet slechts verkeerde informatie. Toch laat dit iets zien van de macht die waarheid kan hebben wanneer een leugen wordt ontmaskerd.

Dan moeten wij opnieuw voorzichtig worden met de gedachte dat volledige kennis van God automatisch tot liefde voor God leidt.

De Schrift geeft ons daarvoor onvoldoende grond.

Wij hebben al gezien dat demonen waarheid over God kunnen kennen zonder Hem lief te hebben. Adam en Eva leefden niet zonder kennis van God en konden toch ongehoorzaam worden. Religieuze leiders konden veel Schriftkennis bezitten en zich tegen Christus keren. Meer informatie geneest dus niet automatisch een verkeerde wil.

Daarom moeten wij onderscheid maken tussen zien, erkennen en liefhebben.

Een mens kan iets zien en toch weerstand bieden.

Hij kan erkennen dat iets waar is en er toch een hekel aan hebben.

Hij kan zelfs beseffen dat God werkelijk God is zonder daarmee noodzakelijk de liefde te bezitten die het evangelie als vervulling beschrijft.

Dat voorkomt dat wij het oordeel reduceren tot een moment waarop God simpelweg voldoende bewijs toont en iedereen rationeel dezelfde conclusie trekt.

Verlossing moet dieper gaan dan overtuiging.

Het hart moet worden vernieuwd.

Maar daarmee keert de moeilijke vraag uit eerdere delen terug. Als God werkelijk een hart kan vernieuwen, hoe ver gaat Hij daarin? Kan iemand God volledig kennen en toch voor altijd weigeren Hem lief te hebben? Kan een geschapen wil zich uiteindelijk zo ver verharden dat zelfs de volledige waarheid van God alleen maar tot verdere weerstand leidt? Of is er een wijze waarop Gods waarheid, liefde en genade uiteindelijk de wil kunnen genezen zonder haar te vernietigen?

Wij weten het nog steeds niet volledig.

En juist hier moeten wij de Schrift beschermen tegen onze behoefte aan een afgerond systeem.

Wie zegt dat iedere mens noodzakelijk zal liefhebben zodra hij God volledig ziet, zegt meer dan wij kunnen aantonen.

Maar wie zegt dat volledige ontmoeting met God onmogelijk nog iets aan een verharde menselijke wil kan veranderen, zegt eveneens meer dan de Schrift expliciet uitlegt.

Wij blijven tussen twee werkelijkheden staan: menselijke weerstand is ernstig en Gods vermogen om te vernieuwen is werkelijk.

Misschien is het daarom belangrijk dat het eeuwige leven volgens Jezus niet wordt omschreven als alleen God zien, maar als God kennen.

Kennen in de Bijbelse zin heeft relationele diepte.

Het gaat niet alleen om een object dat correct wordt waargenomen. Het gaat om gemeenschap.

Dat betekent dat de bestemming van de mens niet voltooid is wanneer hij uiteindelijk moet toegeven dat God bestaat en Christus Heer is. Een verslagen vijand kan dat erkennen. De vraag is of hij God kent zoals een kind zijn Vader kent, zoals iemand geliefd wordt en terug liefheeft.

Daar raakt kennis aan liefde.

Niet omdat liefde blind moet zijn, maar juist omdat liefde uiteindelijk alleen volledig kan bestaan wanneer zij werkelijk ziet wie de ander is.

Misschien geldt daarom voor de voltooide mens dat kennis en liefde steeds minder tegenover elkaar komen te staan. Wij kennen God nu gedeeltelijk en hebben Hem toch lief. De christelijke hoop is niet dat wij in de eeuwigheid minder weten om ons geloof te kunnen behouden. Paulus wijst juist naar een grotere kennis.

Daarmee ontstaat een opmerkelijke omkering.

Wij denken soms dat geloof vooral noodzakelijk is zolang wij God niet kunnen zien en dat volledige kennis menselijke vrijheid misschien zou vernietigen. Maar de Schrift beschrijft de voltooiing niet als verlies van persoon of wil. Johannes schrijft dat wij, wanneer Christus verschijnt, Hem zullen zien zoals Hij is en Hem gelijk zullen zijn.

Ook die tekst moet zorgvuldig gelezen worden. Hij zegt niet dat ieder mens automatisch door het zien van Christus gered wordt. Johannes spreekt tot gelovigen over hun hoop. Maar het verband tussen zien en gelijkvormigheid is opmerkelijk.

Voor de verloste mens is het volledig zien van Christus blijkbaar geen bedreiging voor vrijheid.

Het hoort bij zijn voltooiing.

Dat ondersteunt opnieuw de gedachte dat ware vrijheid niet bestaat in het eeuwig behouden van voldoende onwetendheid om nog tegen God te kunnen kiezen. De verloste mens hoeft God niet gedeeltelijk verborgen te houden om werkelijk vrij te zijn.

Misschien is precies het tegenovergestelde waar.

Hoe beter hij God kent, hoe vrijer hij wordt om Hem lief te hebben zoals Hij werkelijk is.

Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar het raakt diep aan onze hele reeks. Veel van onze vragen zijn begonnen bij de gedachte dat liefde alleen werkelijk liefde kan zijn wanneer God voldoende afstand houdt om de mens een volledig onafhankelijke keuze te laten. Maar de Bijbelse eindbestemming lijkt geen eeuwige afstand te zijn.

Zij is nabijheid.

God woont bij de mensen.

Zij zien zijn aangezicht.

Zijn naam staat op hen.

De mens verliest daar niet zijn persoon.

Hij komt juist in de volheid van gemeenschap.

Daarom kan de hoogste vrijheid misschien niet gevonden worden in maximale afstand tot God, maar in maximale waarheid voor God.

Geen misleiding meer.

Geen verkeerde godsbeelden meer.

Geen angst die Hem vervormt.

Geen religieus masker.

Geen behoefte Hem naar onze eigen verlangens te herscheppen.

Geen mogelijkheid meer om onze eigen zonde te rechtvaardigen door Hem tot iets te maken wat Hij niet is.

Alleen waarheid.

En daarmee ook de vraag wat er overblijft van onze afwijzing wanneer al onze leugens over God verdwenen zijn.

Misschien blijft er werkelijke rebellie over.

Die mogelijkheid moeten wij blijven erkennen.

Een mens kan niet alleen een verkeerd beeld van God haten. Hij kan ook het goede zelf willen afwijzen omdat hij zijn eigen heerschappij niet wil opgeven. De Schrift kent die donkerte. Daarom mogen wij niet romantiseren wat er in het menselijke hart leeft.

Maar misschien zal ook dan eindelijk zichtbaar worden wat die rebellie werkelijk is.

Niet vrijheid tegenover tirannie.

Niet autonomie tegenover onderdrukking.

Niet moed tegenover een onrechtvaardige God.

Maar een geschapen wil tegenover de volmaakte waarheid en liefde van degene aan wie zij haar bestaan dankt.

Dat zou het oordeel tot iets buitengewoon naakts maken.

De mens kan zich nergens meer achter verschuilen.

Maar ook God is dan niet meer verborgen achter onze projecties.

Misschien is dat de uiteindelijke rechtvaardigheid van het oordeel: niet alleen dat de feiten over ons bekend zijn, maar dat ook degene die ons oordeelt volledig gekend wordt zoals Hij werkelijk is.

Dan kan niemand zeggen dat hij veroordeeld werd door een karikatuur van God.

Niemand wordt beoordeeld door het beeld dat zijn ouders, kerk, cultuur of vijanden van God hebben gemaakt.

Hij staat voor God.

En God staat voor hem zonder leugen.

Daarom moet de ontmoeting met Christus uiteindelijk centraal blijven. Als Jezus werkelijk het beeld van de onzichtbare God is, wordt de vraag naar eeuwigheid ten diepste een vraag naar wat er gebeurt wanneer ieder mens uiteindelijk tegenover de waarheid van Christus staat.

Filippenzen spreekt over iedere knie die buigt en iedere tong die belijdt dat Jezus Christus Heer is. Wij hebben eerder gezien dat dit op zichzelf nog geen universele verlossing bewijst. Erkenning kan onderwerping zijn zonder verzoening.

Maar het betekent wel dat de leugen over wie Christus is uiteindelijk niet eeuwig standhoudt.

Zijn identiteit wordt niet voor altijd betwist.

De waarheid wint.

Daarom kunnen wij misschien nu iets scherper zeggen wat kennis van God met de hele reeks doet.

De mens wordt niet gered om eeuwig in onwetendheid te blijven en vanuit die onwetendheid voor God te blijven kiezen. Hij wordt gered tot een werkelijkheid waarin God werkelijk gekend wordt.

Dat betekent dat waarheid geen vijand van vrijheid kan zijn.

Als onze vrijheid alleen kan bestaan zolang wij God niet volledig kennen, zou de voltooiing van kennis onze menselijkheid vernietigen. De christelijke hoop zegt juist dat wij in Gods aanwezigheid vollediger worden, niet minder.

Daarom ligt onze diepste vrijheid niet in de mogelijkheid een leugen over God te blijven geloven.

Zij ligt in de mogelijkheid eindelijk zonder leugen voor Hem te staan.

Misschien begrijpen wij daardoor ook beter waarom eeuwig leven kennis van God is. Eeuwigheid is dan niet alleen eindeloos bestaan in een veilige omgeving. Het is het leven van een mens wiens verhouding tot de bron van zijn bestaan eindelijk waar geworden is.

Hij hoeft God niet meer te vrezen als iemand die Hij niet is.

Hij hoeft zichzelf niet meer te beschermen tegen waarheid.

Hij hoeft niet langer tussen liefde en zelfbehoud te kiezen.

Hij hoeft zijn Schepper niet kleiner te maken om zelf groter te kunnen lijken.

Hij kent.

En hij wordt gekend.

Dat laatste is misschien even belangrijk.

Paulus spreekt niet alleen over onze toekomstige kennis, maar over volledig kennen zoals wij zelf gekend zijn. Nog voordat wij God volledig kennen, kent God ons al volledig. Onze bestemming begint dus niet met onze kennis van Hem, maar met zijn kennis van ons.

Dat geeft een andere rust aan de hele vraag naar oordeel.

Wij zullen niet voor iemand verschijnen die op het laatste moment moet ontdekken wie wij werkelijk zijn.

God heeft onze gehele geschiedenis al gekend.

Hij kent onze vrijheid en onze slavernij, onze waarheid en onze zelfmisleiding, ons licht en onze verharding. Hij kent waar wij Hem werkelijk hebben afgewezen en waar wij iets anders voor Hem hebben aangezien.

Zijn oordeel hoeft niets te raden.

Daarom kunnen wij de uiteindelijke bestemming van een ander mens niet veilig bepalen op basis van wat wij aan de buitenkant zien. Wij weten eenvoudig niet genoeg.

Maar God weet.

En als Hij werkelijk is zoals Christus Hem openbaart, hoeven volmaakte kennis en volmaakte rechtvaardigheid niet tegenover volmaakte liefde te worden geplaatst.

Misschien is dat de diepste grond waarop deze reeks uiteindelijk kan rusten. Niet op onze zekerheid over hoe iedere afzonderlijke ziel eindigt, maar op vertrouwen in degene die iedere ziel volledig kent.

Wij weten nog steeds niet of ieder mens Hem uiteindelijk zal liefhebben.

Wij weten niet of iedere verharde wil uiteindelijk genezen wordt.

Wij weten niet precies waar de grens ligt waarop een keuze definitief wordt.

Maar wij weten iets over degene voor wie die keuze uiteindelijk volledig zichtbaar zal worden.

Christus.

En misschien is dat waarom de vraag wat het betekent om God werkelijk te kennen uiteindelijk niet alleen een vraag over onze eeuwige bestemming is.

Het is ook een vraag voor nu.

Want als eeuwig leven bestaat in het kennen van God, begint de eeuwigheid niet pas na onze dood. Zij begint daar waar een mens nu al leert zijn verkeerde beelden los te laten en Christus werkelijk te zien.

Misschien begint vrijheid daarom niet wanneer wij voldoende afstand tot God hebben om Hem af te wijzen.

Misschien begint vrijheid wanneer wij Hem eindelijk leren kennen zoals Hij werkelijk is.