Hopen zonder te weten
14 minuten leestijd
De Schrift geeft ernstige waarschuwingen over oordeel en verlorenheid, maar spreekt tegelijk met grote reikwijdte over Gods verlangen om te redden, Christus die alle dingen met God verzoent en een toekomst waarin de dood zelf wordt vernietigd. Tussen deze lijnen ontstaat een spanning die niet eerlijk kan worden opgelost door meer zekerheid te claimen dan ons gegeven is. Dit geschrift onderzoekt daarom wat christelijke hoop betekent wanneer wij niet weten hoe iedere menselijke geschiedenis uiteindelijk eindigt. Hoop is dan geen verborgen zekerheid dat iedereen gered wordt, maar evenmin berusting in de verlorenheid van anderen. Zij is het vertrouwen dat het laatste oordeel volledig aan Christus toebehoort en dat zijn rechtvaardigheid, waarheid en liefde verder reiken dan ons begrip.
Er komt een moment waarop verder nadenken niet vanzelf tot meer zekerheid leidt. Soms gebeurt juist het tegenovergestelde. Hoe meer teksten wij naast elkaar leggen, hoe duidelijker wij zien dat de Schrift werkelijk dingen samenhoudt die wij liever in één eenvoudig systeem zouden oplossen. Zij waarschuwt ernstig voor oordeel, verharding en verlorenheid, maar spreekt tegelijk over Gods verlangen om te redden, over Christus die alle dingen met God verzoent, over iedere knie die voor Hem zal buigen en over een toekomst waarin zelfs de dood niet overblijft. Wie slechts één van deze lijnen laat spreken, kan relatief eenvoudig tot een sluitend antwoord komen. Wie probeert alle lijnen recht te doen, ontdekt dat de grens van onze kennis eerder zichtbaar wordt dan wij misschien gehoopt hadden.
Misschien hoort dat bij deze reeks. Wij begonnen met vrije wil en kwamen uiteindelijk terecht bij een vraag die groter is dan de menselijke wil zelf. Wij wilden begrijpen hoe een mens verantwoordelijk kan zijn wanneer zijn vrijheid beperkt, verwond, misleid en soms zelfs door zonde tot slavernij gebracht kan worden. Daarna moesten wij vragen wat oordeel betekent, wanneer een keuze definitief wordt, wat eeuwigheid betekent, wat Christus werkelijk overwint, waarvan de mens wordt gered en waartoe hij wordt hersteld. Uiteindelijk kwamen wij bij het kennen van God zelf. Op ieder punt werd iets duidelijker, maar tegelijk werd de ruimte kleiner waarin wij gemakkelijk konden zeggen dat wij precies weten hoe iedere menselijke geschiedenis eindigt.
Dat kan onbevredigend voelen. Wij willen weten of iedereen uiteindelijk gered wordt of niet. Wij willen weten of de hel eeuwig bewust lijden betekent, vernietiging of een oordeel dat uiteindelijk tot herstel leidt. Wij willen weten of iemand na de dood nog kan veranderen en of een verharde wil voor altijd verhard blijft. Misschien willen wij dat niet alleen uit nieuwsgierigheid. Deze vragen raken mensen van wie wij houden, mensen die gestorven zijn, mensen die God lijken af te wijzen en misschien ook onze eigen angst voor wat wij nog niet begrijpen.
Juist daarom moeten wij voorzichtig zijn met antwoorden die meer rust geven dan waarheid.
Het zou mogelijk zijn om vanuit Gods liefde te zeggen dat uiteindelijk niemand verloren kan gaan. Er zijn Bijbelteksten die zo ruim over Christus’ overwinning spreken dat deze hoop begrijpelijk wordt. Paulus kan schrijven dat God alle mensen onder ongehoorzaamheid heeft besloten om Zich over allen te ontfermen. Hij kan spreken over alle dingen die door Christus met God verzoend worden en over een einde waarin God alles in allen zal zijn. Wie deze teksten serieus neemt, kan moeilijk doen alsof Gods reddende bedoeling klein of beperkt wordt beschreven.
Maar dezelfde Schrift bevat woorden van Christus die wij niet mogen omvormen totdat zij niets meer kunnen betekenen. Er zijn gesloten deuren. Er is oordeel. Er is tweede dood. Er zijn waarschuwingen voor een verharding die zo ernstig wordt dat de mens licht als duisternis kan benoemen. Jezus spreekt over verlorenheid op een manier die onmogelijk alleen als pedagogisch theater kan worden behandeld. Als wij van tevoren zeker weten dat iedere waarschuwing uiteindelijk noodzakelijk eindigt in herstel, bestaat het gevaar dat wij de waarschuwing niet meer werkelijk laten spreken.
Daarom kunnen wij niet eerlijk zeggen dat de Schrift ons de zekerheid geeft dat ieder individu uiteindelijk gered zal worden.
Maar precies dezelfde eerlijkheid verhindert ook dat wij te gemakkelijk de tegenovergestelde zekerheid uitspreken.
Wij kunnen zeggen dat verlorenheid werkelijk mogelijk wordt voorgesteld. Wij kunnen zeggen dat Christus ons oproept nu te antwoorden. Wij kunnen zeggen dat oordeel ernstig is en dat een mens zichzelf werkelijk kan verharden. Maar wanneer wij zeggen dat wij daarom zeker weten dat bepaalde menselijke personen voor eeuwig en onherroepelijk verloren zullen blijven, moeten wij opnieuw vragen waar de Schrift precies die zekerheid aan ons geeft.
Wij kennen geen enkel mens zoals God hem kent.
Wij weten niet hoeveel waarheid iemand werkelijk heeft ontvangen. Wij weten niet hoeveel van zijn afwijzing gericht was tegen Christus en hoeveel tegen een beeld dat nauwelijks op Christus leek. Wij weten niet waar onwetendheid eindigde en verharding begon. Wij weten niet hoeveel van zijn wil vrij was en hoeveel reeds door zonde, angst, begeerte of verwonding gevangen was geraakt. Wij weten evenmin wat God in het oordeel nog zal onthullen of hoe de menselijke wil zich verhoudt tot die volledige waarheid.
Dat betekent niet dat iedereen daarom gered wordt. Het betekent dat wij niet beschikken over het inzicht waarmee wij het eeuwige oordeel van God over concrete personen vooraf kunnen invullen.
Misschien ontstaat daar ruimte voor een vorm van hoop die iets anders is dan zekerheid.
Hoop zegt niet dat wij het einde al kennen. Als wij het einde al zeker kennen, hopen wij in strikte zin nauwelijks meer. Dan verwachten wij eenvoudig wat wij weten dat moet gebeuren. Bijbelse hoop heeft vertrouwen, maar dat vertrouwen rust uiteindelijk niet in onze kennis van het volledige verloop. Het rust in God.
Dat verschil is belangrijk.
Wij kunnen hopen dat Gods genade een mens verder bereikt dan wij begrijpen zonder te beweren dat wij weten dat dit zal gebeuren. Wij kunnen hopen dat een hart dat voor ons volledig gesloten lijkt voor Christus niet buiten zijn vermogen ligt. Wij kunnen hopen dat Gods oordeel meer waarheid bevat dan onze menselijke oordelen. Wij kunnen zelfs hopen dat de overwinning van Christus uiteindelijk groter blijkt dan onze meest voorzichtige verwachting, zolang wij die hoop niet veranderen in een leer die de Schrift zelf niet ondubbelzinnig uitspreekt.
Dat is geen zwakke positie.
Het vraagt misschien juist meer discipline dan zekerheid.
Zekerheid kan de spanning beëindigen. Hoop moet ermee leven.
Wie overtuigd is dat iedereen uiteindelijk noodzakelijk gered wordt, hoeft de mogelijkheid van definitieve verlorenheid uiteindelijk niet meer werkelijk onder ogen te zien. Wie overtuigd is dat bepaalde groepen noodzakelijk eeuwig verloren zijn, hoeft evenmin te blijven hopen waar menselijk gezien nauwelijks reden voor hoop overblijft.
Christelijke hoop weigert beide vormen van gemak.
Zij laat de waarschuwing staan en blijft toch bidden.
Dat is misschien een belangrijk criterium.
Wanneer onze theologie over oordeel ervoor zorgt dat wij minder verlangen naar de redding van een ander mens, is er iets gebeurd wat moeilijk te rijmen is met de houding die wij in Christus zien. Jezus kijkt niet naar verloren mensen met de afstand van iemand die tevreden vaststelt dat zij hun bestemming zelf hebben gekozen. Hij zoekt. Hij waarschuwt. Hij roept. Hij weent over Jeruzalem. Hij bidt voor mensen die Hem kruisigen.
Dat betekent niet dat zijn verlangen iedere menselijke reactie automatisch bepaalt. Maar het betekent wel dat wij voorzichtig moeten zijn wanneer onze zekerheid over verlorenheid ons onverschilliger maakt dan Christus zelf.
Paulus draagt iets vergelijkbaars wanneer hij over Israël spreekt. In Romeinen 9 zegt hij dat hij grote droefheid en voortdurende pijn in zijn hart draagt om zijn volksgenoten. Hij gaat zelfs zo ver dat hij woorden gebruikt die bijna onmogelijk groot klinken: hij zou zelf vervloekt willen zijn, weg van Christus, als dat zijn broeders zou kunnen dienen. Vervolgens spreekt hij in dezelfde hoofdstukken over verkiezing, verharding, genade en Gods ondoorgrondelijke wegen.
Paulus gebruikt theologie daar niet om zijn verdriet uit te schakelen.
Hij kent Gods soevereiniteit en blijft toch hopen.
Dat is veelzeggend.
Misschien behoort juist dat tot een gezonde christelijke houding tegenover de uiteindelijke bestemming van anderen. Wij hoeven niet te doen alsof oordeel niet bestaat om vurig naar redding te verlangen. En wij hoeven niet te weten dat iemand uiteindelijk gered zal worden om te blijven bidden, liefhebben en hopen.
Dat voorkomt ook een gevaar dat in iedere leer over uiteindelijke verzoening kan ontstaan. Als het einde toch vaststaat, waarom zou bekering nu werkelijk urgent zijn? Waarom zou het uitmaken of iemand Christus vandaag volgt als hij uiteindelijk toch wordt hersteld?
Maar die redenering begrijpt zonde en verlossing inmiddels te oppervlakkig.
Wij hebben gezien dat zonde de mens vormt. Verharding is werkelijk. Keuzes maken volgende keuzes gemakkelijker of moeilijker. Mensen verwonden elkaar werkelijk, en de geschiedenis die daaruit voortkomt kan niet eenvoudig worden teruggedraaid. Zelfs wanneer Gods genade verder zou reiken dan wij nu begrijpen, volgt daaruit niet dat zonde daarom minder ernstig wordt.
Een mens die jarenlang in haat leeft, heeft die jaren werkelijk in haat geleefd. Een vader die zijn kind beschadigt, kan later misschien vergeven worden, maar de jeugd van dat kind is werkelijk gebeurd. Een machthebber die mensen vernietigt, kan zijn daden niet ongedaan maken door later de waarheid te erkennen. Verlossing kan de geschiedenis herstellen zonder haar te ontkennen, maar zij maakt het kwaad niet ongedaan alsof het nooit betekenis heeft gehad.
Daarom blijft vandaag belangrijk.
Niet alleen omdat wij bang moeten zijn dat een onzichtbare deur op een onbekend moment voor altijd dichtvalt, maar omdat het leven dat wij vandaag leiden werkelijk het leven is dat wij ontvangen hebben. Het hart dat wij vandaag vormen is werkelijk ons hart. De mens die wij vandaag liefhebben of gebruiken is werkelijk voor ons geplaatst. Christus roept ons nu omdat het heden geen oefenversie van het echte bestaan is.
Hoop op Gods genade maakt dat niet kleiner.
Zij maakt het misschien groter.
Want als wij werkelijk geloven dat God geen vreugde vindt in de dood van de goddeloze, dan kunnen wij zelf ook geen genoegen vinden in de gedachte dat iemand verloren gaat. Als God mensen roept tot bekering, kunnen wij hun verlorenheid niet behandelen als een theologisch bevredigend bewijs dat ons systeem klopt. Als Christus voor vijanden bidt, mogen wij niet te snel beslissen dat een vijand buiten onze hoop moet vallen.
Dat geldt zelfs voor mensen die wij moeilijk kunnen verdragen.
Misschien wordt hoop pas echt christelijk wanneer zij niet alleen gericht is op mensen van wie wij houden.
Het is relatief gemakkelijk te hopen dat een geliefd kind, een ouder of een vriend uiteindelijk genade ontvangt. Veel moeilijker wordt het wanneer wij denken aan iemand die bewust kwaad heeft gedaan, anderen heeft vernietigd en misschien zonder zichtbaar berouw is gestorven. Dan voelen wij onmiddellijk waarom oordeel noodzakelijk is.
En terecht.
Hoop mag nooit worden gekocht met het vergeten van slachtoffers.
Wij kunnen niet hopen op de redding van een dader op een manier die zijn slachtoffer opnieuw onrecht aandoet. Als onze voorstelling van genade vereist dat het kwaad uiteindelijk minder ernstig blijkt dan het werkelijk was, is het geen rechtvaardige genade.
Maar misschien hoeft dat helemaal niet.
De hoop die in deze reeks is ontstaan, gaat niet over het ontwijken van oordeel. Zij kan alleen door het oordeel heen denken. Als een dader ooit werkelijk verzoend zou worden, zou hij niet gered worden doordat de waarheid zachter wordt. Hij zou juist volledig door die waarheid heen moeten.
Hij zou moeten zien.
Niet alleen begrijpen dat een handeling juridisch verkeerd was, maar werkelijk zien wat hij heeft gedaan en wie hij door zijn keuzes geworden is. Hij zou moeten staan voor God, maar ook onder de waarheid van de mensen die hij heeft beschadigd. Er kan geen ware verzoening bestaan waarin zijn slachtoffers opnieuw onzichtbaar worden gemaakt.
Dat is waarom onze centrale gedachte uit deel 3 zo belangrijk blijft. De mens wordt geconfronteerd met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God.
Hoop betekent niet dat deze confrontatie uiteindelijk wordt overgeslagen.
Misschien betekent zij juist dat wij weigeren te bepalen wat volmaakte waarheid en volmaakte genade samen nog kunnen doen voordat God zelf geoordeeld heeft.
Daarmee wordt hoop een vorm van nederigheid.
Wij weten niet meer dan God ons heeft gegeven.
Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar religieuze systemen hebben een sterke neiging om de open plekken op te vullen. Waar de Schrift spanning laat bestaan, bouwen wij een mechanisme. Wij willen precies weten wanneer de wil gefixeerd wordt, hoe de tweede dood functioneert, wat iedere term over vuur technisch betekent en welke groepen uiteindelijk waar eindigen.
Sommige van die vragen moeten gesteld worden. Deze hele reeks bestaat doordat wij ze niet wilden vermijden. Maar er komt een punt waarop verdere precisie niet langer uit openbaring voortkomt, maar uit onze behoefte aan controle.
Dan wordt niet weten misschien geen tekort meer.
Het kan gehoorzaamheid worden.
Dat betekent niet dat alle standpunten even waarschijnlijk of even Bijbels zijn. Wij hebben gedurende deze reeks juist geprobeerd onderscheid te maken. Sommige beweringen kunnen wij afwijzen omdat zij onvoldoende Schriftgrond hebben. Het idee dat menselijke identiteit uiteindelijk oplost in een onpersoonlijke goddelijke bron hoort niet bij de christelijke hoop. Het idee dat Satan een eeuwig zelfstandig rijk naast God bezit evenmin. De gedachte dat oordeel eenvoudig niet werkelijk is omdat God liefde is, kan de woorden van Christus niet dragen.
Maar tussen wat wij kunnen afwijzen en wat wij met zekerheid kunnen bevestigen blijft ruimte over.
In die ruimte kan hoop leven.
Misschien helpt Abraham ons daar iets van te begrijpen. Wanneer God het oordeel over Sodom aankondigt, redeneert Abraham niet dat oordeel onmogelijk is omdat God goed is. Hij neemt het oordeel serieus. Maar juist omdat hij weet iets van Gods karakter te kennen, durft hij te vragen of de Rechter van de hele aarde geen recht zal doen.
Dat is een opmerkelijke houding.
Hij ontkent Gods recht om te oordelen niet.
Hij beroept zich erop dat Gods oordeel volledig rechtvaardig moet zijn.
Misschien is dat ook waar wij uiteindelijk kunnen staan.
Niet met een theorie waarmee wij God vertellen wat Hij moet doen om goed te zijn, maar met vertrouwen dat zijn oordeel werkelijk zal overeenkomen met wie Hij is.
De Rechter van de hele aarde zal recht doen.
Christus zal niemand verkeerd kennen.
Geen onwetendheid zal als bewuste rebellie worden behandeld wanneer zij dat niet was.
Geen bewuste rebellie zal als onwetendheid worden verontschuldigd wanneer zij dat niet was.
Geen slachtoffer zal vergeten worden.
Geen verborgen motief zal voor Hem verborgen blijven.
Geen mens zal harder worden geoordeeld omdat God iets verkeerd begrepen heeft.
En geen mens zal gered worden door waarheid over zijn kwaad uit te wissen.
Dat is misschien meer zekerheid dan wij beseffen.
Wij weten misschien niet precies hoe ieder oordeel eindigt, maar wij weten wie oordeelt.
En dat brengt ons terug naar Christus.
Misschien is de veiligste plaats voor onze hoop niet een theorie over de uiteindelijke redding van allen, maar de persoon van Jezus Christus zelf.
Wanneer wij naar Hem kijken, zien wij geen onverschilligheid tegenover zonde. Hij kan buitengewoon streng spreken. Maar wij zien evenmin genoegen in verlorenheid. Hij zoekt wat verloren is. Hij raakt onreinen aan. Hij eet met zondaars. Hij ontvangt degene die terugkeert en confronteert degene die zichzelf rechtvaardig acht.
Aan het kruis ontmoeten oordeel en genade elkaar op een wijze die onze eenvoudige categorieën telkens weer overstijgt. Het kwaad wordt niet ontkend, maar de zondaar wordt gezocht. De dood wordt werkelijk ondergaan, maar krijgt niet het laatste woord.
Daarom kunnen wij misschien hopen zonder te weten.
Niet omdat wij denken dat zonde uiteindelijk wel zal meevallen.
Niet omdat wij de waarschuwingen van Christus minder serieus nemen.
Niet omdat wij een geheime zekerheid hebben dat iedereen uiteindelijk toch gered wordt.
Maar omdat wij geloven dat Christus werkelijk Heer is en dat zijn uiteindelijke oordeel niet minder waarachtig, rechtvaardig of barmhartig zal zijn dan Hij zelf.
Dat soort hoop laat ruimte voor vrees, maar niet voor wanhoop.
Zij laat ruimte voor oordeel, maar niet voor leedvermaak.
Zij laat ruimte voor onzekerheid, maar niet voor onverschilligheid.
Misschien is dat uiteindelijk de houding die wij tegenover iedere menselijke ziel behoren te hebben zolang God zelf het laatste woord nog niet heeft uitgesproken.
Wij waarschuwen waar gewaarschuwd moet worden.
Wij spreken waarheid over zonde.
Wij noemen kwaad werkelijk kwaad.
Wij roepen tot bekering.
Maar wij blijven hopen.
Niet omdat wij weten wat God nog zal doen.
Maar omdat wij weten genoeg van wie Hij is om de mogelijkheid van zijn genade niet kleiner te maken dan Hij zelf haar heeft geopenbaard.
En misschien beschermt dat ons aan beide kanten.
Het beschermt ons tegen een goedkope zekerheid die zegt dat niemand uiteindelijk werkelijk verloren kan gaan.
Maar het beschermt ons ook tegen een hardere zekerheid die al tevreden lijkt te weten wie voor altijd buiten Gods gemeenschap zal blijven.
Wij hebben voor geen van beide de troon gekregen.
Het oordeel behoort aan Christus.
De hoop eveneens.
Misschien is daarom het meest christelijke antwoord op de vraag of wij mogen hopen op de uiteindelijke redding van een ander mens niet een systeem, maar een gebed.
Niet een gebed dat Gods rechtvaardigheid probeert te veranderen, maar een gebed dat vertrouwt dat zijn rechtvaardigheid volmaakter is dan de onze.
Een gebed dat niet beweert het einde te kennen, maar weigert iemand op te geven voordat God dat zelf heeft uitgesproken.
Misschien is dat wat hoop uiteindelijk doet.
Zij laat het laatste woord waar het thuishoort.
Bij Christus.