Wanneer wordt een keuze definitief?
16 minuten leestijd
Een mens kiest niet één keer, maar wordt door zijn keuzes gevormd. Toch blijft de vraag wanneer zo’n richting werkelijk definitief wordt. Is de dood zelf het moment waarop de wil onveranderlijk vastligt, of markeert de dood vooral het einde van het aardse leven waarna het oordeel volgt? De Schrift spreekt ernstig over gesloten deuren, verharding en oordeel, maar zegt nergens eenvoudig dat de menselijke wil op het moment van sterven metafysisch onveranderlijk wordt. Dit geschrift onderzoekt daarom de grens tussen verantwoordelijkheid, finaliteit en genade, zonder de waarschuwingen van Christus af te zwakken en zonder meer zekerheid te claimen dan de Schrift geeft.
Een keuze kan klein beginnen. Een gedachte die wij toelaten. Een waarheid die wij liever niet onder ogen zien. Een woord dat wij spreken terwijl we weten dat het niet rechtvaardig is. Een verlangen waaraan wij steeds opnieuw ruimte geven. In het begin voelt zoiets nog als een afzonderlijke beslissing. Later kan dezelfde keuze gemakkelijker komen. Wat eerst weerstand opriep, wordt vertrouwd. Wat eerst schaamte gaf, wordt verdedigd. Uiteindelijk kan de mens niet alleen bepaalde dingen doen, maar iemand worden die deze dingen nodig heeft om zichzelf te blijven begrijpen.
Daarom is de vraag wanneer een keuze definitief wordt veel moeilijker dan zij op het eerste gezicht lijkt.
Wij spreken vaak alsof een mens gedurende zijn leven een aantal kansen ontvangt om voor God te kiezen, waarna bij de dood de mogelijkheid wordt afgesloten. Het beeld is eenvoudig: zolang wij leven staat de deur open, daarna sluit zij voor altijd.
Er zit onmiskenbaar iets Bijbels in die ernst.
De Schrift spreekt niet lichtvaardig over het huidige leven. Zij roept voortdurend op tot bekering nu. Niet wanneer wij beter begrijpen. Niet wanneer ons leven rustiger wordt. Niet wanneer wij alles eerst hebben onderzocht. “Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet”, klinkt het in Hebreeën. Jezus gebruikt beelden van een deur die gesloten wordt, van een bruidegom die arriveert terwijl sommigen niet voorbereid zijn en van mensen die te laat ontdekken dat hun veronderstelde nabijheid tot God geen werkelijke gemeenschap met Hem was.
Daar mogen wij niets van afhalen.
Er bestaat een werkelijke urgentie.
Maar urgentie en een volledig uitgewerkte leer over de onveranderlijkheid van de wil na de dood zijn niet hetzelfde.
Hebreeën zegt dat het de mens gegeven is eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Dat is duidelijk. De dood is geen illusie en het oordeel is geen vrijblijvend vervolg op een eerste leven. Iets eindigt werkelijk.
Maar de tekst zegt niet vervolgens dat op hetzelfde ogenblik waarop het lichaam sterft iedere fundamentele beweging van de menselijke wil voor eeuwig onmogelijk wordt.
Die gedachte kan theologisch verdedigd worden. Thomas van Aquino deed dat met grote ernst en intellectuele samenhang. Hij dacht dat de menselijke ziel na de dood op een andere wijze kent en kiest, waardoor haar fundamentele richting vast komt te liggen. Dat is een indrukwekkend antwoord op een moeilijk probleem.
Maar het blijft belangrijk om te onderscheiden wat uit de Schrift rechtstreeks voortkomt en wat wij proberen te verklaren met een theologisch model.
De Schrift zegt duidelijk dat de dood gevolgd wordt door oordeel.
Zij zegt niet even duidelijk waarom de menselijke wil vanaf dat moment noodzakelijk nooit meer zou kunnen veranderen.
Dat onderscheid betekent niet dat wij moeten aannemen dat verandering daarna wel mogelijk is.
Het betekent alleen dat wij niet meer mogen zeggen dan wij weten.
Misschien is de dood inderdaad het moment waarop de richting van een mens definitief wordt. Misschien heeft de traditie gelijk wanneer zij daar een onomkeerbare grens ziet. Maar als dat waar is, verdient die gedachte een diepere grond dan alleen de uitspraak dat God onze laatste aardse keuze respecteert.
Want een mens sterft zelden tijdens een moment van volmaakte helderheid.
Sommigen sterven oud, na jaren van bewust leven. Anderen sterven jong. Sommigen kennen Christus diepgaand. Anderen kennen slechts een karikatuur van het christendom. Sommigen hebben hun hele leven waarheid gezocht en zijn toch met vragen gestorven. Anderen hebben veel licht ontvangen en zich er bewust tegen verzet. Sommigen sterven in vrede, anderen in verwarring, angst, ziekte of verminderd bewustzijn.
Als de toestand op het exacte moment van overlijden automatisch de eeuwige toestand van de wil zou vastleggen, ontstaat onmiddellijk de vraag wat God dan precies beoordeelt.
Het laatste moment?
De laatste gedachte?
De dominante richting van het leven?
De mate van licht die iemand heeft ontvangen?
De wijze waarop iemand met dat licht is omgegaan?
De Schrift lijkt telkens weer naar dat diepere niveau te wijzen.
God kent het hart.
Dat klinkt eenvoudig, maar het is misschien één van de meest ingrijpende uitspraken die wij over het oordeel kunnen doen.
Hij kent niet alleen wat iemand heeft gekozen.
Hij kent ook de geschiedenis van die keuze.
Hij kent waar het verlangen begon.
Hij kent welke leugen eraan voorafging.
Hij kent wie iemand heeft gevormd.
Hij kent de pijn die iemand heeft gedragen en de pijn die hij anderen bewust heeft aangedaan.
Hij kent wanneer onwetendheid werkelijk onwetendheid was en wanneer zij een excuus werd.
Hij kent wanneer iemand de waarheid nog niet kon zien en wanneer hij haar niet meer wilde zien.
Hij kent het verschil tussen een mens die struikelt en een mens die zijn val tot principe verheft.
Wij kennen die grenzen niet eens volledig in onszelf.
God wel.
Daarom wordt oordeel veel ernstiger wanneer wij het niet reduceren tot een eenvoudig registreren van handelingen.
De hele geschiedenis van onze vrijheid komt voor Hem te staan.
Wat hebben wij gedaan met wat wij werkelijk konden weten?
Wat hebben wij gedaan toen ons geweten begon te spreken?
Wat gebeurde er toen iemand ons de waarheid vertelde?
Waar hebben wij berouw gehad?
Waar hebben wij onszelf verdedigd?
Waar hebben wij om vergeving gevraagd en waar hebben wij liever een leugen gebouwd om niet te hoeven buigen?
Misschien is dat één van de redenen waarom de dood werkelijk een grens vormt.
Niet omdat God plotseling ophoudt dezelfde God te zijn.
Maar omdat het leven dat wij daadwerkelijk hebben geleefd niet meer herschreven kan worden.
Na onze dood kunnen wij gisteren niet opnieuw leven.
Wij kunnen een vernedering die wij hebben veroorzaakt niet ongedaan maken.
Wij kunnen geen jaren van verwaarlozing teruggeven aan iemand die onder ons gedrag heeft geleden.
Wij kunnen het lichaam dat wij beschadigd hebben niet terugbrengen naar zijn eerdere toestand.
Wij kunnen niet alsnog de vader, moeder, vriend of vreemdeling liefhebben op precies dat moment waarop wij hem bewust hebben laten vallen.
Onze geschiedenis wordt definitief doordat zij geschiedenis is geworden.
Dat is een vorm van finaliteit die geen ingewikkelde metafysica nodig heeft.
Wat gebeurd is, is gebeurd.
Maar definitieve geschiedenis is nog niet noodzakelijk hetzelfde als een definitief onveranderlijke persoon.
Dat onderscheid moeten wij zorgvuldig bewaren.
De christelijke hoop is immers niet dat God het verleden ontkent. Zij is ook niet dat de opstanding alles terugzet naar een punt vóórdat wij hebben gekozen.
De opstanding betekent juist dat dezelfde mens die werkelijk heeft geleefd voor God verschijnt.
Wij worden niet vervangen door een nieuwe persoon die toevallig onze naam draagt.
De persoon wordt opgewekt.
Dat betekent dat verantwoordelijkheid behouden blijft.
Maar het betekent eveneens dat de Bijbelse eindbestemming van de mens niet eenvoudig de eindeloze toestand van een ontlichaamde ziel is. De verwachting is opstanding.
Dat maakt de menselijke bestemming nog moeilijker te reduceren tot een moment waarop de ziel na de dood als een soort engel onveranderlijk wordt. Die gedachte kan filosofisch mogelijk zijn, maar de Bijbelse hoop blijft opvallend lichamelijk en persoonlijk.
God herstelt niet iets dat nooit bestaan heeft.
Hij wekt de mens op.
Daarom blijft de vraag staan wat oordeel met die persoon doet.
En hier moeten wij terug naar een onderscheid dat vaak verloren gaat.
Pijn is geen bekering.
De rijke man in Jezus’ verhaal over Lazarus bevindt zich na de dood in grote nood. Hij verlangt dat zijn lijden wordt verlicht. Toch zien we hem nergens werkelijk zijn leven belijden. Hij vraagt niet hoe hij zich tot God kan keren. Hij vraagt dat Lazarus naar hem toe wordt gestuurd. Daarna vraagt hij dat Lazarus naar zijn broers gaat.
Er zit iets onthutsends in die scène.
De omstandigheden zijn volledig veranderd.
De pijn is werkelijk.
De waarheid van zijn eerdere positie kan nauwelijks nog verborgen blijven.
Maar dat betekent nog niet dat zijn hart zichtbaar veranderd is.
Dat is belangrijk voor onze hele reeks.
Want het voorkomt een te gemakkelijke gedachte over oordeel waarin voldoende lijden vanzelf bekering produceert.
Een mens kan spijt hebben zonder berouw.
Hij kan de gevolgen van zijn zonde haten zonder de zonde zelf te haten.
Hij kan terugverlangen naar wat hij verloren heeft zonder werkelijk God te verlangen.
En zelfs wanneer hij erkent dat hij verkeerd gehandeld heeft, is er nog een verschil tussen erkennen en zich toevertrouwen.
Bekering is meer dan inzicht.
Daarom kan het oordeel, zelfs wanneer het alle waarheid zichtbaar maakt, niet eenvoudig worden begrepen als een intellectuele demonstratie waarna ieder rationeel wezen vanzelf voor God kiest.
Wij hebben al gezien waarom.
Demonen kunnen weten dat God bestaat.
Een mens kan weten dat iets verkeerd is.
Farao zag gebeurtenissen die onmogelijk gemakkelijk konden worden genegeerd.
De religieuze leiders rondom Jezus zagen werken die anderen tot geloof brachten en konden ze toch aan het kwaad toeschrijven.
Het hart kan zich verzetten tegen wat het verstand niet meer volledig kan ontkennen.
Dat is misschien waarom Jezus’ woorden over de zonde tegen de Heilige Geest zo ernstig zijn.
Niet omdat iemand per ongeluk het verkeerde woord heeft uitgesproken en daarmee voor eeuwig een juridische fout heeft gemaakt.
De context is veel donkerder.
Mensen zien iets van Gods werk en noemen het demonisch.
Licht wordt niet alleen gemist.
Het wordt kwaad genoemd.
Daarmee komen wij bij een mogelijkheid die wij niet mogen wegredeneren: een mens kan zo diep in zijn weerstand groeien dat waarheid zelf hem vijandig voorkomt.
Dat is iets anders dan het kind uit het eerste deel dat de weg niet begrijpt.
Het kind kan verdwalen.
De verharde mens kan uiteindelijk de stem die hem naar huis roept gaan haten.
Juist daarom is de vraag naar finaliteit geen spel met tweede kansen.
Misschien is de werkelijke dreiging niet dat God op een arbitrair tijdstip zegt dat er geen kans meer is.
Misschien is één van de verschrikkelijkste mogelijkheden dat de mens zichzelf zo vormt dat hij steeds minder in staat raakt datgene te ontvangen wat hem nog zou kunnen redden.
Daarom is het heden belangrijk.
Iedere keuze laat iets achter.
Iedere leugen die wij nodig hebben om onszelf te beschermen, maakt een volgende waarheid moeilijker.
Iedere daad van nederigheid maakt een andere nederigheid mogelijk.
Iedere keer dat wij werkelijk schuld erkennen, leren wij iets wat trots ons nooit kan leren.
Iedere keer dat wij liefhebben terwijl wij ook konden gebruiken, wordt iets in ons gevormd dat niet zonder betekenis is.
Wij bouwen onszelf niet volledig. Genade gaat vooraf aan alles wat goed is. Maar onze keuzes zijn evenmin betekenisloos.
De Schrift neemt vorming van het hart zeer ernstig.
Daarom kan niemand verstandig naar de mogelijkheid van genade na de dood kijken en daaruit concluderen dat bekering nu dus niet belangrijk is.
Zelfs als God verder zou kunnen handelen dan wij begrijpen, weten wij niet wat voortdurende verharding met ons doet.
En bovenal heeft Christus ons niet geroepen tot speculatie over hoe laat wij nog kunnen terugkeren.
Hij roept ons nu.
Toch blijft aan de andere kant een vraag staan die wij eveneens niet eerlijk kunnen wegdrukken.
Als verharding een beschadiging van de menselijke vrijheid is, en God werkelijk in staat is een stenen hart te vernieuwen, is een verharde wil dan voor God absoluut onaantastbaar?
De Schrift zegt dat God harten kan openen.
Dat Hij de mens kan trekken.
Dat Hij een hart van steen kan wegnemen.
Dat Hij zijn wet in het hart kan schrijven.
Dat Hij in de mens zowel het willen als het handelen kan bewerken.
Daarmee verdwijnt menselijke verantwoordelijkheid niet.
Maar het betekent wel dat Gods genade dieper kan gaan dan alleen informatie aanbieden aan een onafhankelijke wil.
God kan de mens bereiken op het niveau waar willen zelf ontstaat.
Dat lijkt gevaarlijk voor onze moderne voorstelling van vrijheid.
Want als God mijn wil verandert, ben ik dan nog wel vrij?
Maar misschien veronderstelt die vraag opnieuw dat onze huidige wil het onaantastbare centrum van onze identiteit is.
Wat als een deel van wat wij willen juist behoort tot datgene waarvan Christus ons wil bevrijden?
De verslaafde die niet langer naar zijn middel verlangt is niet minder zichzelf geworden.
De verbitterde mens die eindelijk kan vergeven, is niet van zijn persoonlijkheid beroofd.
De hoogmoedige mens die leert buigen, is niet vernietigd.
Misschien is hij voor het eerst in jaren minder gevangen.
Genade hoeft daarom niet tegenover vrijheid te staan.
Genade kan vrijheid genezen.
En juist daar wordt de vraag naar een definitieve keuze zo moeilijk.
Wanneer is een mens werkelijk zover gekomen dat zelfs Gods genezende genade niets meer met zijn wil doet?
De klassieke traditie heeft daarop een antwoord gegeven: bij de dood wordt de fundamentele richting vast.
Wij moeten die mogelijkheid ernstig nemen.
Maar vanuit de Schrift alleen durf ik nog steeds niet te zeggen dat wij precies weten hoe dat mechanisme werkt.
Er is nog een tekst die dat ongemak vergroot.
Petrus spreekt over Christus die na zijn sterven verkondigt aan geesten in gevangenschap. Even later spreekt hij over het evangelie dat zelfs aan doden verkondigd is.
Deze passages behoren tot de moeilijkste teksten van het Nieuwe Testament. Ze hebben verschillende uitleggingen gekregen en wij mogen ze niet gebruiken alsof zij eenvoudig bewijzen dat ongelovigen na de dood een nieuwe mogelijkheid tot bekering ontvangen.
Dat bewijzen ze niet.
Maar ze herinneren ons er wel aan dat de overwinning van Christus over de dood groter is dan een eenvoudige voorstelling waarin na het laatste levensmoment niets meer gebeurt behalve het uitvoeren van een reeds berekende bestemming.
Christus gaat zelf de dood binnen.
Hij overwint haar van binnenuit.
Hij staat op.
En Hij draagt volgens Openbaring de sleutels van dood en dodenrijk.
Dat betekent niet dat alle grenzen verdwijnen.
Het betekent wel dat ook de dood uiteindelijk onder zijn gezag staat.
Daarmee komen wij opnieuw terug bij de vraag wie uiteindelijk werkelijk het laatste woord heeft.
Niet de dood.
Niet Satan.
Niet zonde.
Niet onze onwetendheid.
Niet eens onze gebroken wil als zelfstandige macht.
Christus.
Maar dat antwoord moet ons juist nederiger maken, niet zekerder over zaken die Hij niet volledig heeft uitgelegd.
Misschien wordt een menselijke keuze definitief bij de dood.
Misschien is de grens anders verbonden aan oordeel, volledige kennis of de uiteindelijke toestand van de persoon.
Misschien weten wij eenvoudig niet genoeg over de verhouding tussen tijd, dood, opstanding en eeuwigheid om het mechanisme volledig te beschrijven.
De Schrift geeft ons in ieder geval geen toestemming om de ernst van het leven te verminderen.
Maar zij geeft ons evenmin toestemming om meer over Gods uiteindelijke handelen te weten dan Hij heeft geopenbaard.
Daarom moet het heden blijven klinken.
Niet uit angst dat God morgen minder barmhartig zou zijn.
Maar omdat wij vandaag nog kunnen horen.
Vandaag kunnen wij nog waarheid ontvangen voordat wij haar opnieuw moeten verdringen.
Vandaag kunnen wij iemand vergeven.
Vandaag kunnen wij schuld belijden.
Vandaag kunnen wij stoppen met een leugen die morgen gemakkelijker zal worden.
Vandaag kan een hart zachter worden.
Vandaag kunnen wij terugkeren.
Misschien is dat waarom het evangelie voortdurend spreekt in de tegenwoordige tijd.
Niet omdat God willekeurig een klok heeft ingesteld waarna zijn karakter verandert.
Maar omdat ons leven werkelijk betekenis heeft.
Vrijheid is geen theoretisch bezit dat onaangetast blijft terwijl wij haar gebruiken.
Wij worden mede gevormd door wat wij ermee doen.
En misschien is daarom de vraag “wanneer wordt mijn keuze definitief?” uiteindelijk zelfs gevaarlijk wanneer zij alleen bedoeld is om te ontdekken hoe lang wij kunnen wachten.
De betere vraag is:
wat wordt mijn keuze vandaag in mij?
Word ik door haar ontvankelijker voor waarheid?
Of heb ik haar nodig om niet te hoeven zien?
Brengt zij mij dichter bij liefde?
Of moet ik steeds meer van mijzelf verharden om haar te blijven verdedigen?
Maakt zij mij werkelijk vrij?
Of begin ik iets vrijheid te noemen omdat ik niet meer weet hoe het voelt zonder?
Alleen God weet op welk punt iedere menselijke geschiedenis werkelijk staat.
En daarom zal zijn oordeel volkomen rechtvaardig moeten zijn.
Hij zal niemand behandelen alsof hij wist wat hij nooit heeft kunnen weten.
Maar Hij zal evenmin onwetendheid aanvaarden waar de mens zichzelf bewust blind heeft gemaakt.
Hij zal iedere wond kennen.
Maar ook iedere wond die wij anderen hebben toegebracht.
Hij zal iedere misleiding zien.
Maar ook iedere keer dat wij een leugen verkozen omdat zij ons beter uitkwam dan waarheid.
Hij zal weten waar onze vrijheid beperkt was.
En waar wij onze vrijheid hebben gebruikt om haar verder te beschadigen.
Daarom kunnen wij de uiteindelijke bestemming van mensen niet veilig reduceren tot één regel.
Niet: iedereen heeft precies dezelfde kans gehad.
Niet: niemand heeft ooit werkelijk kwaad gekozen.
Niet: iedere afwijzing van God is eigenlijk onwetendheid.
Maar ook niet: iedereen die sterft buiten onze zichtbare grenzen heeft daarom in volledige kennis en volmaakte vrijheid eeuwig tegen God gekozen.
Wij weten te weinig over een ander mens om dat uit te spreken.
God niet.
Hij kent de gehele persoon.
En wanneer niets meer verborgen blijft, zal ook dit zichtbaar worden: hoeveel van onze vrijheid werkelijk vrijheid was en hoeveel ervan reeds gevangen was geraakt.
Daarmee lost het oordeel onze vraag nog niet op.
Misschien maakt het haar juist scherper.
Want wanneer alle waarheid zichtbaar is, blijft uiteindelijk de vraag wat de mens met die waarheid doet.
Kan een wil die zichzelf jarenlang heeft gesloten nog geopend worden?
Kan liefde worden hersteld waar haat identiteit is geworden?
Kan iemand die God als vijand heeft leren zien Hem uiteindelijk ontmoeten zonder zichzelf opnieuw tegen Hem te verharden?
En als dat kan, is dat dan nog de eigen keuze van de mens?
Misschien geeft het evangelie op die laatste vraag reeds een belangrijk antwoord.
Wanneer Christus een slaaf vrijmaakt, is de vrijheid die daarna ontstaat werkelijk de vrijheid van die persoon.
Wanneer God een stenen hart vervangt door een hart van vlees, blijft het dezelfde mens die nu anders kan leven.
Wanneer genade een wil geneest, wordt die wil niet vervangen door Gods wil als vreemde kracht.
Misschien wordt hij juist teruggegeven aan degene die hem nauwelijks nog bezat.
Hoe ver God daarin uiteindelijk zal gaan, weet ik niet.
Dat is precies waar onze contemplatie moet stoppen voordat zij een doctrine wordt die verder spreekt dan de Schrift.
Maar wij kunnen inmiddels wel zeggen dat de dood niet gebruikt mag worden als een eenvoudig antwoord op een vraag die de Bijbel zelf veel dieper behandelt.
De dood is werkelijk een grens.
Het oordeel is werkelijk.
Onze keuzes zijn werkelijk.
Verharding is werkelijk.
En de waarschuwingen van Christus zijn werkelijk.
Maar ook zijn overwinning is werkelijk.
Zijn macht over dood en graf is werkelijk.
Zijn vermogen om harten te vernieuwen is werkelijk.
En zijn oordeel zal niet minder rechtvaardig zijn dan de volmaakte waarheid waarin het plaatsvindt.
Misschien weten wij daarom niet precies wanneer een keuze definitief wordt omdat wij nog niet volledig begrijpen wat een werkelijk vrije keuze is.
Wij leven nu tussen licht en schaduw, genade en weerstand, waarheid en zelfmisleiding. God alleen ziet ieder van deze bewegingen zonder verwarring.
Dat is geen reden om onze keuzes minder ernstig te nemen.
Het is juist de reden om ze vandaag ernstig te nemen.
Want misschien is de grootste vergissing niet dat wij te weinig nadenken over wat na de dood mogelijk is.
Misschien is de grootste vergissing dat wij ondertussen vergeten wat onze keuzes vandaag met ons hart doen.