Wanneer vrijheid een gevangenis wordt
19 minuten leestijd
Vrijheid wordt vaak gezien als het vermogen om zelf te kiezen, ook wanneer die keuze zich tegen God richt. Maar de Schrift spreekt tegelijk over zonde als slavernij, over harten die verharden, over mensen die door misleiding steeds minder in staat raken waarheid als waarheid te herkennen, en over Christus die niet alleen vergeeft maar werkelijk vrijmaakt. Dit geschrift onderzoekt daarom een diepere vraag: wanneer houdt een keuze op een teken van vrijheid te zijn en wordt zij juist de uitdrukking van een wil die gevangen is geraakt? En als God een stenen hart kan vernieuwen, hoe moeten wij dan spreken over menselijke weerstand, goddelijke genade en de mogelijkheid dat een mens zichzelf zo diep afsluit dat hij zelfs redding niet meer als redding herkent?
In de vorige geschriften hebben wij steeds gesproken over de menselijke wil alsof wij haar langzaam van verschillende kanten moesten bekijken om te begrijpen wat vrijheid werkelijk betekent. Eerst zagen wij het kind dat kan weglopen zonder volledig te begrijpen waarvan het zich verwijdert. Daarna zagen wij dat de mens wel keuzes maakt, maar niet zelf de werkelijkheid heeft gekozen waarin die keuzes betekenis krijgen. Vervolgens kwamen wij bij het oordeel, waar niets meer verborgen blijft en de mens geconfronteerd wordt met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God. Maar daarmee blijft nog een vraag open die misschien ernstiger is dan alle voorgaande: wat gebeurt er wanneer een mens zijn vrijheid zo lang gebruikt tegen de waarheid dat juist die vrijheid zelf beschadigd raakt?
Wij spreken gemakkelijk over vrije wil alsof iedere keuze het bewijs is dat iemand vrij is. Als ik iets kan willen en daarnaar kan handelen, noemen wij dat vrijheid. Toch spreekt Christus anders over de mens. Hij zegt dat wie zonde doet een slaaf van de zonde is, en dat werkelijke vrijheid ontstaat wanneer de Zoon vrijmaakt. Daarmee ontstaat onmiddellijk een onderscheid dat voor deze hele reeks belangrijk is. Een mens kan kiezen en toch slaaf zijn. Hij kan verlangen en toch niet vrij zijn. Hij kan zelfs met overtuiging zeggen dat hij doet wat hij zelf wil, terwijl zijn wil inmiddels gevormd wordt door krachten die hij nauwelijks nog beheerst.
Wij kennen dit ook buiten de directe taal van geloof. Een verslaafde kan zijn middel zelf zoeken, zelf kopen en zelf gebruiken. Niemand hoeft hem op dat moment fysiek te dwingen. Toch zouden wij zijn gedrag niet zonder meer het hoogtepunt van menselijke vrijheid noemen. Juist zijn vermogen om te willen is aangetast. Datgene wat ooit misschien begon als een keuze, is langzaam een macht geworden die nieuwe keuzes stuurt. De wil is niet verdwenen, maar zij beweegt niet meer vanuit dezelfde vrijheid waarmee zij ooit begon.
De Schrift gebruikt vergelijkbare taal over zonde. Zonde is niet alleen een reeks verboden handelingen die God registreert. Zij kan macht krijgen over de mens. Zij kan misleiden, verharden en uiteindelijk een toestand voortbrengen waarin het kwaad niet langer voelt als iets vreemds dat wij doen, maar als iets wat wij verdedigen omdat wij denken dat het bij ons hoort. De mens kan daardoor steeds moeilijker onderscheiden waar zijn ware persoon eindigt en waar zijn verwonding, trots, begeerte of verharding begint.
Dat maakt de uitspraak dat God eenvoudig onze vrije keuze moet respecteren ingewikkelder dan zij eerst lijkt. Want welke keuze respecteert Hij precies? De keuze van de mens zoals hij geschapen is, of de keuze van een wil die inmiddels door zonde gevormd en verhard is? Wanneer iemand zichzelf voortdurend heeft leren beschermen tegen waarheid, is het dan werkelijk liefde om die toestand onaangeroerd te laten omdat zij op dat moment als zijn eigen wil wordt ervaren?
Deze vraag wordt scherper wanneer wij kijken naar hoe de Schrift over verharding spreekt. Hebreeën waarschuwt dat een mens door de misleiding van de zonde verhard kan raken. Dat woord misleiding is belangrijk. Zonde werkt niet alleen door openlijke dwang. Zij kan iets verkeerds aantrekkelijk maken, iets destructiefs noodzakelijk laten lijken en iets wat ons gevangenhoudt presenteren als vrijheid. Daardoor hoeft iemand niet iedere ochtend bewust te kiezen: vandaag wil ik verder van God verwijderd raken. Hij kan eenvoudig blijven kiezen voor datgene wat op dat moment goed, rechtvaardig of noodzakelijk lijkt, terwijl zijn vermogen om anders te kijken langzaam afneemt.
Toch zou het te gemakkelijk zijn om alle menselijke rebellie terug te brengen tot misleiding. De Schrift doet dat niet. Er bestaat een ernstiger vorm van weerstand. Een mens kan licht ontvangen en zich ertegen keren. Hij kan waarheid beginnen te herkennen en haar toch onderdrukken. Hij kan Gods stem horen en bewust weigeren te luisteren. Het verhaal van Farao laat zien hoe ingewikkeld die beweging kan worden. Farao verhardt zijn eigen hart, maar later spreekt de Schrift ook over God die zijn hart verhardt. Wij moeten voorzichtig zijn met eenvoudige verklaringen, maar het verhaal maakt in ieder geval duidelijk dat verharding een punt kan bereiken waarop de gekozen richting steeds vaster wordt.
Daarom kunnen wij niet zeggen dat ieder nee tegen God uiteindelijk alleen onwetendheid is. Dat zou de menselijke verantwoordelijkheid te klein maken. Een mens kan werkelijk schuldig worden aan zijn eigen blindheid. Hij kan licht zo vaak ontwijken dat hij uiteindelijk minder ziet dan hij ooit zag, niet omdat waarheid minder beschikbaar werd, maar omdat hij zichzelf heeft gevormd tot iemand die haar niet langer wil ontvangen.
Dat is misschien één van de meest angstwekkende mogelijkheden van vrije wil: wij kunnen onze vrijheid gebruiken om minder vrij te worden.
Wij kunnen iets zo vaak kiezen dat het uiteindelijk moeilijker wordt iets anders te willen. Wij kunnen onszelf zo vaak rechtvaardigen dat erkenning van schuld voelt als vernietiging van onze identiteit. Wij kunnen zo lang bitterheid voeden dat vergeving niet meer als bevrijding voelt maar als verraad aan onszelf. Wij kunnen zo sterk bouwen op controle dat vertrouwen als gevaar wordt ervaren. Wij kunnen zo diep overtuigd raken van onze eigen gelijkheid dat nederigheid niet meer wordt herkend als waarheid, maar als vernedering.
Dan ontstaat een toestand waarin de mens misschien nog steeds zegt dat hij vrij is, terwijl hij nauwelijks meer in staat is datgene lief te hebben wat hem werkelijk vrij zou maken.
Dat is waarom Christus niet alleen zegt dat Hij de mens informeert. Hij zegt dat Hij vrijmaakt.
De waarheid zal vrijmaken. De Zoon zal vrijmaken. Dat is meer dan kennis overdragen. Het betekent dat er iets in de mens bestaat waarvan hij bevrijd moet worden. Het probleem van zonde ligt dus niet alleen in gebrek aan informatie. Een mens kan weten dat iets verkeerd is en het toch liefhebben. Hij kan weten dat iets hem beschadigt en er toch naar terugkeren. Hij kan zelfs weten dat God bestaat en Hem toch niet willen gehoorzamen. Jakobus zegt dat zelfs demonen geloven dat God één is en sidderen. Kennis alleen herstelt dus niet noodzakelijk de wil.
Hier moeten wij ook de gevallen geestelijke machten serieus nemen. De Schrift spreekt werkelijk over engelen die gezondigd hebben en over een duivel die zich tegen God verzet. Dat beschermt ons tegen een te eenvoudige gedachte dat ieder wezen automatisch God zal liefhebben zodra het voldoende kennis heeft. Meer kennis maakt liefde niet mechanisch noodzakelijk. Een wil kan waarheid ontmoeten en zich toch tegen haar keren.
Toch bewijst dat nog iets anders niet: dat eeuwige rebellie daarom de hoogste uitdrukking van vrijheid is.
Dat onderscheid blijft belangrijk. Het bestaan van rebellie toont aan dat geschapen vrijheid werkelijk tegen God gebruikt kan worden. Het toont niet aan dat de mogelijkheid om eeuwig tegen God gekeerd te blijven noodzakelijk tot de volheid van vrijheid behoort. Daarvoor moeten wij naar God zelf kijken.
God is volmaakt vrij. Toch zegt de Schrift dat God niet liegt en niet door het kwaad verzocht kan worden. Niemand concludeert daaruit dat God minder vrij is omdat Hij niet op een dag kan besluiten kwaad te worden. Zijn goedheid is geen gevangenis waaruit Hij zich niet kan bevrijden. Zij behoort tot de volmaaktheid van wie Hij is.
Dat betekent dat wij voorzichtig moeten zijn met een definitie van vrijheid waarin alleen degene werkelijk vrij is die altijd zowel goed als kwaad moet kunnen kiezen. Als dat waar was, zou heiligheid uiteindelijk een beperking zijn en zou de voltooide mens in Gods Koninkrijk minder vrij worden naarmate hij meer gelijkvormig wordt aan Christus.
Maar de Bijbel beweegt precies de andere kant op. Verlossing betekent niet dat de mens steeds beter wordt in het onafhankelijk kiezen tussen God en zonde. Verlossing betekent dat hij van de macht van de zonde wordt bevrijd. De hoop van het evangelie is niet dat wij in de eeuwigheid nog altijd even sterk naar kwaad kunnen verlangen en dan telkens opnieuw heroïsch voor God kiezen. De hoop is een vernieuwde mens en een vernieuwde schepping waarin zonde haar heerschappij heeft verloren.
Dat betekent dat vrijheid zonder zonde niet alleen denkbaar is. Zij lijkt juist de richting te zijn waarin het evangelie beweegt.
De vraag wordt dan niet langer of God onze vrijheid respecteert wanneer Hij onze zondige verlangens ongemoeid laat. De vraag wordt of verlossing überhaupt voltooid zou zijn wanneer die verlangens voor eeuwig dezelfde macht over ons behouden.
Daarmee komen wij bij Ezechiël en misschien één van de belangrijkste beloften voor deze hele gedachtegang. God spreekt over een stenen hart dat Hij uit de mens zal verwijderen en een hart van vlees dat Hij ervoor in de plaats zal geven. Hij belooft zijn Geest in de mens te leggen en hem in zijn wegen te laten wandelen.
Dat is ingrijpend.
God zegt niet alleen: Ik zal jullie overtuigend uitleggen waarom jullie moeten veranderen en daarna wacht Ik af.
Hij handelt aan het hart zelf.
Toch wordt de mens hierdoor niet minder mens. Hij verdwijnt niet. Zijn persoon wordt niet vervangen door een marionet. De Bijbelse voorstelling is juist vernieuwing. Datgene wat steen geworden is, wordt weer levend.
Dit geeft ons een belangrijk onderscheid tussen dwang en genade. Dwang bestuurt iemand van buitenaf tegen zijn wil in. Genade kan de wil zelf genezen, zodat de mens opnieuw kan verlangen naar wat werkelijk goed is. Het eerste ontneemt vrijheid. Het tweede kan haar herstellen.
Daarom is het te eenvoudig om iedere verandering van de menselijke wil door God onmiddellijk te beschrijven als schending van vrije wil. De hele Bijbelse taal over bekering, wedergeboorte, nieuw hart en heiliging veronderstelt dat God werkelijk in een mens kan werken zonder die mens als persoon uit te wissen. Paulus kan zelfs zeggen dat God in ons werkt zowel het willen als het handelen. Zelfs het willen staat dus niet volledig buiten Gods genade.
Maar juist hier moeten wij onze hoop niet laten veranderen in een conclusie die de Schrift zelf niet geeft.
Dat God een stenen hart kan vernieuwen betekent nog niet dat Hij heeft beloofd ieder stenen hart uiteindelijk te vernieuwen. Dat God in de menselijke wil kan werken betekent nog niet dat iedere wil uiteindelijk noodzakelijk tot dezelfde uitkomst komt. Dat Christus werkelijk vrijmaakt betekent niet automatisch dat wij weten hoe zijn bevrijdende werk zich uiteindelijk tot iedere afzonderlijke menselijke ziel zal verhouden.
De waarschuwingen van Christus blijven staan.
Er bestaan gesloten deuren. Er bestaat verharding. Er bestaat een ernstige waarschuwing over lastering tegen de Heilige Geest. Jezus spreekt over een zonde die niet wordt vergeven in deze eeuw of de komende. Hebreeën spreekt over mensen die diepe kennis van Gods werkelijkheid hebben ontvangen en toch afvallen. Wij mogen deze teksten niet behandelen alsof zij alleen retorische dreiging zijn binnen een verhaal waarvan wij de goede afloop al zeker weten.
De onvergeeflijke zonde is hier bijzonder ernstig. In de context zien mensen het werk van Christus en schrijven zij het toe aan het kwaad. Dat gaat verder dan niet begrijpen. Het goede wordt bewust als kwaad benoemd. Licht wordt duisternis genoemd. De mens verzet zich niet alleen tegen een boodschap, maar tegen degene door wie waarheid en bekering tot hem komen.
Misschien zien wij hier verharding op haar donkerste punt. Niet eenvoudig: ik zie het niet. Maar: ik wil datgene wat ik zie niet als waarheid erkennen.
Daarom moeten wij oppassen met de gedachte dat het oordeel eenvoudig alle informatie aanvult die tijdens het leven ontbrak, waarna ieder rationeel mens noodzakelijk voor God kiest. De Schrift geeft daar onvoldoende grond voor. Het probleem van de mens is niet alleen zijn hoofd. Het is ook zijn hart.
Toch maakt zelfs die ernstige mogelijkheid onze eerdere vraag niet overbodig. Want als het hart werkelijk steen kan worden, en God werkelijk stenen harten kan vernieuwen, dan blijft de vraag staan wat uiteindelijk de grens van Gods genezende handelen is.
Daarmee komen we onvermijdelijk bij de spanning tussen menselijke weerstand en Gods soevereiniteit. Romeinen 9 maakt die spanning bijna ondraaglijk wanneer Paulus schrijft dat God zich ontfermt over wie Hij wil en verhardt wie Hij wil. Paulus voorziet onmiddellijk het bezwaar: waarom houdt God de mens dan nog verantwoordelijk, want wie kan zijn wil weerstaan?
Paulus antwoordt daar niet door menselijke autonomie tot hoogste principe te verheffen. Hij herinnert de mens eraan dat hij schepsel is tegenover zijn Schepper. Dat is moeilijk voor ons moderne denken, maar het beschermt iets wezenlijks: God is niet slechts een toeschouwer die afhankelijk is van een volledig onafhankelijke menselijke wil.
Tegelijk mogen wij Romeinen 9 niet losmaken van wat daarna komt. Romeinen 9 tot en met 11 vormt één grote worsteling met Israëls ongeloof, verkiezing, verharding en Gods trouw. En wanneer Paulus verdergaat, blijkt verharding niet noodzakelijk het laatste woord. Afgebroken takken kunnen opnieuw worden ingeënt. De verharding van Israël wordt gedeeltelijk genoemd. Uiteindelijk schrijft Paulus dat God allen onder ongehoorzaamheid heeft besloten om zich over allen te ontfermen.
Dat vers bewijst geen universele redding. Daarvoor moeten wij het niet gebruiken. Maar het voorkomt wel dat wij Gods verharding eenvoudig gelijkstellen aan Gods uiteindelijke verlangen om iemand voor altijd in die toestand te behouden.
Paulus eindigt vervolgens niet met een systeem waarin iedere menselijke bestemming eenvoudig te verklaren is. Hij eindigt in verwondering over de diepte van Gods wijsheid en de ondoorgrondelijkheid van zijn oordelen.
Misschien moeten wij iets van die nederigheid behouden.
Want hoe verder wij proberen de verhouding tussen Gods genade en menselijke vrijheid volledig op te lossen, hoe duidelijker wordt dat de Schrift beide werkelijkheden laat staan. De mens kan weigeren. God kan het hart vernieuwen. De mens kan zich verharden. God kan ontfermen. God kan zelfs verharden. Christus roept en de mens moet antwoorden. Tegelijk zegt Christus dat niemand tot Hem komt tenzij de Vader trekt.
Het Bijbelse beeld is groter dan een contract tussen twee volledig zelfstandige partijen.
Daarom wordt ook onze vraag over iemand die bewust voor de duivel kiest complexer. Zo'n keuze kan werkelijk kwaad zijn. We moeten haar niet reduceren tot psychologische verwarring. Een mens kan macht willen, rebellie willen, God haten en zich bewust verbinden aan wat tegen God staat. De Bijbel kent geestelijke strijd werkelijk. Paulus spreekt in Efeziërs 6 over de listen van de duivel en over geestelijke machten van het kwaad.
Maar ook daar is het opvallend dat Satans macht sterk verbonden wordt met misleiding. Vanaf Genesis presenteert het kwaad zichzelf niet eenvoudig als vernietiging. Het komt met een belofte. Kennis. Autonomie. Macht. Verheffing. De mogelijkheid om als God te zijn.
Dat betekent niet dat de mens geen verantwoordelijkheid heeft wanneer hij die belofte gelooft. Adam en Eva konden de slang niet uiteindelijk verantwoordelijk maken voor hun eigen ongehoorzaamheid. Maar het betekent wel dat een keuze voor het kwaad zelden betekent dat iemand met volledige waarheid voor vernietiging kiest omdat hij vernietiging als vernietiging liefheeft. Vaak kiest de mens iets waarvan hij denkt dat het hem iets geeft wat God hem onthoudt.
Daarom begint de wapenrusting van God in Efeziërs met waarheid.
Dat is geen klein detail.
Waar de duivel misleidt, komt God met waarheid. Waar zonde tot slavernij brengt, komt Christus met bevrijding. Waar het hart steen wordt, belooft God een hart van vlees. Waar de mens zichzelf door leugen beschermt, brengt het oordeel alles aan het licht.
Hier beginnen de voorgaande delen van de reeks opnieuw samen te komen.
De mens is als het kind dat kan weglopen.
Hij kan onderweg werkelijk verkeerde keuzes maken.
Hij kan zelfs steeds harder gaan lopen wanneer zijn Vader roept.
Hij kan uiteindelijk een stem volgen die hem belooft dat er verderop iets beters ligt.
En hij kan zo lang onderweg zijn dat hij zich nauwelijks nog herinnert waarom hij ooit vertrok.
Maar dan ontstaat een moeilijke vraag. Als dat kind uiteindelijk zelfs zijn huis begint te haten omdat het jarenlang heeft geleerd zijn vertrek te rechtvaardigen, wat betekent het dan om zijn wil te respecteren?
Moet liefde zeggen: dit is nu wie jij bent geworden, dus Ik zal je nooit meer aanraken?
Of kan liefde ook zeggen: Ik neem jouw keuze serieus, maar Ik zie ook alles wat jouw vermogen om werkelijk vrij te kiezen heeft vervormd?
Wij moeten voorzichtig zijn met menselijke analogieën, maar de Schrift zelf dwingt ons ongeveer tot die vraag wanneer zij tegelijk spreekt over verantwoordelijkheid en een nieuw hart.
Daarmee komen wij uiteindelijk bij Christus.
Niet bij een theorie over vrijheid.
Christus is degene die zegt dat Hij werkelijk vrijmaakt. Dat betekent dat Hij vrijheid blijkbaar beter kent dan wij. Hij ziet niet alleen onze individuele keuzes, maar de macht die achter onze keuzes kan groeien. Hij ziet wanneer wij werkelijk rebelleren en wanneer wij misleid worden. Hij ziet wanneer wij een leugen geloven en wanneer wij de waarheid bewust weerstaan. Hij weet hoeveel licht wij hebben ontvangen en hoeveel wij bewust hebben weggeduwd.
Alleen Hij kan daarom volledig beoordelen hoe vrij een menselijke wil werkelijk is.
Dat maakt het oordeel niet minder ernstig. Misschien juist ernstiger. Niemand zal zich kunnen verschuilen achter omstandigheden die hij bewust heeft gebruikt als excuus. Maar niemand zal evenmin veroordeeld worden alsof hij kennis, vrijheid of mogelijkheden bezat die hij nooit werkelijk heeft gehad.
Dezelfde God die waarheid volledig kent, kent ook iedere grens van onze vrijheid.
En daarom moeten wij opnieuw voorzichtig worden wanneer wij zeggen dat iemand “zelf voor de hel kiest”. Die uitspraak kan een deel van de waarheid bevatten. Een mens kan zichzelf werkelijk vormen in een richting die van God verwijderd raakt. Hij kan steeds verder verharden en uiteindelijk datgene liefhebben waarvan hij gered zou moeten worden.
Maar dan is de vraag nog niet opgelost.
Want wie het kwaad liefheeft, wil misschien niet gered worden van het kwaad zelf. Hij wil misschien wel verlost worden van de pijn die het kwaad veroorzaakt, maar niet van zijn trots, macht, begeerte of haat. Dat is een veel diepere toestand dan iemand die simpelweg de verkeerde informatie heeft.
Verlossing zou dan betekenen dat God niet alleen de gevolgen wegneemt, maar de liefde van de mens geneest.
En daar staat opnieuw de grens van wat wij durven zeggen.
Wij weten dat God dit kan doen.
Wij weten dat Hij het hart kan vernieuwen.
Wij weten dat Christus kan vrijmaken.
Wij weten dat zijn genade niet alleen buiten de mens staat maar in hem kan werken.
Maar wij weten niet dat de Schrift ondubbelzinnig belooft dat iedere menselijke wil uiteindelijk volledig genezen zal worden.
Daarom moeten wij zowel de waarschuwing als de hoop blijven dragen.
De waarschuwing zegt: gebruik je vrijheid niet alsof zij onaantastbaar is. Iedere keuze vormt iets in je. Iedere keer dat je waarheid weerstaat kan het moeilijker worden haar opnieuw te ontvangen. Iedere leugen die je koestert kan dichter bij je identiteit komen te liggen. Het hart kan werkelijk harder worden.
De hoop zegt: verharding is niet sterker dan God. Steen is voor Hem geen ondoordringbare substantie. De mens kan zichzelf diep verwonden, maar de Bijbel kent een God die juist spreekt over harten die Hij vernieuwt en mensen die Hij vrijmaakt.
Daarom is de menselijke wil werkelijk, maar niet de hoogste macht in het verhaal van de verlossing.
Satan is dat evenmin.
Zonde is dat evenmin.
Dood is dat evenmin.
De Schrift eindigt niet met de overwinning van één van deze machten, maar met Christus.
Dat betekent nog niet dat wij precies weten wat zijn uiteindelijke overwinning voor iedere afzonderlijke ziel betekent. Wie dat te snel invult, loopt opnieuw vooruit op God.
Maar het betekent wel dat wij menselijke vrijheid niet groter mogen maken dan Christus.
Misschien is dat uiteindelijk de fout die ontstaat wanneer vrije wil het volledige antwoord op verlorenheid moet worden. Wij zeggen dan dat God alles wil, alles kan, harten kan vernieuwen en Christus heeft gegeven, maar dat één menselijke wil uiteindelijk een grens vormt waaraan Gods reddende handelen voor eeuwig moet stoppen.
Misschien is dat waar.
De ernstige waarschuwingen van Christus geven ons geen recht om die mogelijkheid uit te sluiten.
Maar wij hebben inmiddels ook geen recht meer om te zeggen dat die conclusie vanzelf uit het begrip vrijheid volgt.
Daarvoor is de Bijbelse vrijheid te diep.
Want ware vrijheid is niet alleen kunnen zeggen wat wij willen.
Ware vrijheid is kunnen willen wat waar is.
Niet meer door angst geregeerd worden.
Niet meer door leugen gevormd worden.
Niet meer slaaf zijn van zonde.
Niet meer identiteit zoeken in iets wat ons vernietigt.
Niet meer het goede als bedreiging zien.
Misschien is dat waarom Christus niet zegt: Ik kom jullie keuzes respecteren.
Hij zegt dat Hij gekomen is om vrij te maken.
Dat is veel groter.
En misschien moeten wij uiteindelijk erkennen dat wij nog nauwelijks begrijpen wat een volledig vrije menselijke wil werkelijk zou zijn. Wij kennen onze wil vooral in haar huidige toestand, vermengd met angst, verlangen, geschiedenis, zonde, liefde, verwonding en genade. Wij weten hoe het voelt om te kiezen binnen die toestand, en noemen dat vrijheid.
Maar Christus spreekt over iets verder.
Een vrijheid waarin de waarheid niet langer vijandig voelt.
Een vrijheid waarin goedheid niet langer als beperking wordt ervaren.
Een vrijheid waarin liefde niet langer hoeft te concurreren met de ketenen waaraan wij gewend zijn geraakt.
Misschien zal de mens in die vrijheid niet minder zichzelf zijn, maar eindelijk zichzelf zonder de machten die hem hebben leren geloven dat slavernij vrijheid was.
Of iedere menselijke wil uiteindelijk tot die vrijheid zal komen, durf ik niet te zeggen.
De Schrift geeft mij daarvoor te ernstige waarschuwingen.
Maar ik durf evenmin te zeggen dat een verharde wil voor God noodzakelijk een eeuwige grens vormt.
Daarvoor spreekt de Schrift te krachtig over genade.
Misschien moeten wij daarom ophouden vrijheid te meten aan de vraag of wij voor altijd nee kunnen blijven zeggen.
Misschien begint de diepere vraag hier:
hoeveel van ons nee is werkelijk vrij, en hoeveel ervan is het geluid van ketenen die wij zo lang gedragen hebben dat wij vergeten zijn hoe vrijheid voelt?
Alleen God kent het antwoord.
En alleen Christus weet volledig wat Hij bedoelde toen Hij zei dat wanneer de Zoon ons vrijmaakt, wij werkelijk vrij zullen zijn.