De grens van de vrije wil
13 minuten leestijd
Wij spreken over vrije wil alsof vrijheid betekent dat de mens werkelijk alles kan kiezen. Maar onze vrijheid begint pas nadat wij bestaan, binnen een werkelijkheid die wij niet zelf hebben bepaald. Wij hebben niet gekozen dat God bestaat, dat goed en kwaad betekenis hebben, dat ons leven eindig is of dat wij ons uiteindelijk tot onze Schepper moeten verhouden. Dit geschrift onderzoekt daarom een moeilijkere vraag: hoe vrij is de mens werkelijk wanneer hij wel kan kiezen, maar niet zelf de werkelijkheid kiest waarin zijn keuzes betekenis krijgen? En wat betekent oordeel wanneer de mens uiteindelijk niet kan kiezen voor een neutrale plaats buiten God, hemel of verlorenheid?
Vrije wil wordt vaak verdedigd met een eenvoudige gedachte: God heeft de mens niet als machine geschapen, maar als wezen dat werkelijk kan kiezen. Liefde kan niet worden afgedwongen, dus moet de mogelijkheid bestaan om God lief te hebben of Hem af te wijzen. Zonder de mogelijkheid van een nee zou ook ons ja minder betekenis hebben. Vanuit die gedachte krijgt de menselijke vrijheid een bijzondere waardigheid. Wij kunnen gehoorzamen of ons verzetten, vertrouwen of wantrouwen, liefhebben of ons afsluiten. Onze keuzes zijn werkelijk en juist daarom dragen zij ook verantwoordelijkheid.
Maar wanneer wij die vrijheid verder doordenken, ontstaat een moeilijkere vraag. Want hoewel wij mogen kiezen wat wij met ons bestaan doen, hebben wij het bestaan zelf niet gekozen. Niemand heeft vóór zijn geboorte gevraagd of hij wilde leven. Niemand heeft gekozen in welke werkelijkheid hij geboren zou worden, welke wetten die werkelijkheid beheersen of wie God is. Wij zijn wakker geworden in een bestaan dat al gaande was voordat wij het konden begrijpen, en vanaf het moment dat wij bewust worden, bevinden wij ons midden in een werkelijkheid waartoe wij ons moeten verhouden.
Dat betekent dat menselijke vrijheid werkelijk is, maar nooit absoluut kan zijn. Absolute vrijheid zou betekenen dat wij niet alleen onze keuzes bepalen, maar ook de werkelijkheid waarin die keuzes plaatsvinden. Dan zouden wij zelf kunnen bepalen wat goed en kwaad betekenen, of de dood bestaat, of God bestaat en welke gevolgen aan onze keuzes verbonden zijn. Maar die macht bezit de mens niet. Wij kunnen ons tot de werkelijkheid verhouden, maar wij kunnen haar fundamentele aard niet herschrijven.
Misschien helpt een eenvoudig beeld. Een mens kan vrij beslissen van een hoge rots af te springen. Niemand hoeft hem daartoe te dwingen. Maar hij kan niet tegelijkertijd beslissen dat zwaartekracht voor hem niet bestaat. Zijn vrijheid ligt in zijn handeling, niet in het veranderen van de werkelijkheid waarop die handeling betrekking heeft. De keuze is van hem, maar de gevolgen worden niet door zijn wil voortgebracht.
Bij de verhouding tussen God en mens wordt dit oneindig ernstiger. Want als God werkelijk de oorsprong van het bestaan is, dan is Hij niet eenvoudig één mogelijkheid naast vele andere. De mens kan niet zeggen dat hij God afwijst en vervolgens een volledig zelfstandige werkelijkheid kiest waarin hij zonder verhouding tot God blijft bestaan. Binnen het Bijbelse denken bestaat er geen neutraal gebied buiten God waarin de mens zichzelf tot bron van zijn eigen bestaan kan maken. Alles wat bestaat, bestaat uiteindelijk omdat God het bestaan geeft.
Daarmee ontstaat een spanning die wij niet moeten wegdrukken. Wanneer wij zeggen dat de mens volledig vrij is om voor of tegen God te kiezen, klinkt het alsof er twee mogelijkheden voor hem liggen waar hij vanaf een neutrale plaats naar kan kijken. Maar de mens bevindt zich nooit op zo'n neutrale plaats. Hij is al geschapen. Hij bestaat al door God. Hij draagt al Gods beeld. Hij bevindt zich al in een werkelijkheid waarin zijn keuzes richting krijgen, nog voordat hij begrijpt wat die richting betekent.
Zelfs de vrijheid om te kiezen hebben wij niet zelf gekozen.
Wij zijn vrij gemaakt zonder dat ons eerst gevraagd kon worden of wij vrijheid wilden dragen. Dat kon ook niet anders, want vóór ons bestaan was er niemand aan wie God toestemming kon vragen. Toch betekent dit dat de menselijke vrijheid vanaf haar eerste moment ingebed is in iets wat aan haar voorafgaat. Eerst is er Gods scheppende daad. Daarna verschijnt de mens als iemand die kan antwoorden.
Misschien is vrijheid daarom in Bijbelse zin nooit onafhankelijkheid. Werkelijke vrijheid betekent niet dat de mens zichzelf tot oorsprong kan maken, maar dat hij binnen het ontvangen bestaan werkelijk kan antwoorden op degene van wie dat bestaan komt.
Daarmee komen we bij de moeilijkste consequentie. Als God de bron van het leven is, dan kan de mens uiteindelijk niet zeggen: ik kies niet voor God, maar ook niet voor scheiding van God. Ik wil eenvoudig een derde werkelijkheid waarin ik volledig zelfstandig voortbesta.
Die mogelijkheid lijkt binnen de christelijke visie op God niet te bestaan.
Niet omdat God willekeurig heeft besloten dat de mens maar twee vakjes mag aankruisen, maar omdat een geschapen wezen niet tegelijkertijd afhankelijk van God kan zijn voor zijn bestaan en volledig onafhankelijk van Hem kan bestaan. De verhouding tot God is geen bijkomstigheid die wij uit ons bestaan kunnen verwijderen. Zij behoort tot de diepste structuur ervan.
Dat maakt de taal over hemel en hel moeilijker dan de eenvoudige voorstelling van beloning en straf. Wanneer hemel wordt voorgesteld als de plaats die God geeft aan mensen die de juiste keuze hebben gemaakt en hel als de plaats waar Hij de verkeerde kiezers naartoe stuurt, ontstaat al snel het beeld van een kosmisch examen. God bepaalt de regels, geeft de mens een korte tijd om ze te begrijpen en verdeelt daarna iedereen definitief over twee bestemmingen.
Maar de Bijbel spreekt dieper over leven en dood. Eeuwig leven wordt verbonden met het kennen van God. Christus spreekt over leven in Hem, blijven in Hem en verloren zijn buiten Hem. De mens is niet geschapen om slechts ergens te bestaan, maar voor gemeenschap met zijn Schepper. Wanneer die gemeenschap wordt verbroken, raakt niet alleen zijn bestemming maar ook zijn eigen bestaan vervreemd van datgene waarvoor het bedoeld was.
Misschien moeten wij de fundamentele keuze daarom niet alleen zien als de keuze tussen twee plaatsen, maar als de vraag wat er gebeurt wanneer een mens zich verhoudt tot de bron van zijn eigen leven. Wanneer hij God ontvangt, beweegt hij naar datgene waarvoor hij geschapen is. Wanneer hij zich van God verwijdert, beweegt hij weg van zijn oorsprong. Die beweging heeft gevolgen, niet alleen omdat God een straf oplegt, maar omdat werkelijkheid zelf betekenis heeft.
Toch lost ook dit de morele spanning niet volledig op.
Want de mens kan nog steeds vragen: ik heb nooit gevraagd om geschapen te worden voor gemeenschap met God. Waarom wordt mijn bestaan dan uiteindelijk beoordeeld op mijn verhouding tot iets wat ik niet zelf heb gekozen?
Dat is een ernstige vraag. Zij kan niet worden weggewuifd met de opmerking dat God God is en de mens daarom niets te vragen heeft. Misschien is juist hier het karakter van God beslissend. Als Hij werkelijk liefdevol en rechtvaardig is, dan kan het oordeel over een mens niet losstaan van de omstandigheden waarin diens vrijheid heeft bestaan.
De mens kiest immers niet met volledige kennis. Hij kiest vanuit een leven dat hij slechts gedeeltelijk begrijpt, met een wil die gevormd is door ervaringen, verlangens, wonden, overtuigingen en beperkingen die hij zelf maar ten dele doorziet. Als God die mens vervolgens beoordeelt, zou volmaakte rechtvaardigheid moeten betekenen dat Hij niet slechts kijkt naar de uiteindelijke woorden die iemand heeft uitgesproken, maar naar de volledige waarheid van de persoon die ze uitsprak.
Daar raakt dit geschrift direct aan de eerdere gedachte van De vrijheid van het kind. Een kind kan werkelijk weglopen en toch nauwelijks begrijpen waarvan het wegloopt. Zijn benen bewegen uit eigen wil, maar zijn kennis van de weg is beperkt. Hoe verder hij loopt, hoe reëler de gevolgen worden, maar dat verandert niet plotseling zijn beperkte vermogen om de gehele werkelijkheid te overzien.
De menselijke toestand lijkt daar soms op. Wij kunnen werkelijk van God weg bewegen. Wij kunnen ons hart verharden, waarheid ontwijken en kwaad kiezen. Dat maakt onze verantwoordelijkheid werkelijk. Maar het betekent nog niet dat ieder mens op ieder moment volledig begrijpt wat hij uiteindelijk aan het kiezen is.
Daarom is de veelgehoorde uitspraak dat mensen eenvoudig “zelf voor de hel kiezen” te gemakkelijk wanneer zij niet verder wordt uitgelegd. Vrijwel niemand staat in dit leven voor God met volledige kennis van Hem en zegt bewust: ik weet precies wie U bent, ik zie uw goedheid zonder enige vervorming, ik begrijp volledig wat gemeenschap met U betekent en ik begrijp ook volledig wat eeuwige verwijdering van U betekent, en toch kies ik met een volkomen vrije en onverduisterde wil voor die verwijdering.
Zo ziet het menselijke bestaan nauwelijks ooit uit.
Veel mensen wijzen iets af wat zij slechts gedeeltelijk kennen. Sommigen wijzen een karikatuur van God af. Sommigen hebben geleerd Hem te associëren met angst, controle of hypocrisie. Anderen zijn gevormd door een wereldbeeld waarin God nauwelijks denkbaar is geworden. Weer anderen kennen zijn naam, maar hebben nooit werkelijk stilgestaan bij wat die naam betekent.
Dat alles maakt hun keuzes niet zonder betekenis. Maar het maakt het wel moeilijk om te zeggen dat ieder mens zijn eeuwige toestand met dezelfde helderheid heeft gekozen.
Daar ontstaat de vraag die deze reeks verder zal dragen: wanneer wordt een keuze werkelijk definitief?
Is een keuze definitief omdat een klok ophoudt te lopen? Is zij definitief omdat de dood komt? Is zij definitief omdat God op een bepaald moment besluit dat de periode van verandering voorbij is? Of is een keuze pas volledig en werkelijk definitief wanneer degene die kiest ook werkelijk ziet wat hij kiest?
Die vraag is belangrijk omdat vrije wil alleen werkelijk betekenisvol is wanneer er een zekere verhouding bestaat tussen vrijheid en kennis. Een mens kan verantwoordelijk zijn zonder alles te weten, maar hoe groter de consequentie van zijn keuze, hoe moeilijker het wordt om zijn beperkte begrip volledig buiten beschouwing te laten.
Wij doen dat zelfs in menselijke rechtspraak niet. Wij maken verschil tussen opzet en onwetendheid, tussen iemand die volledig begrijpt wat hij doet en iemand die onder ernstige beperking handelt. Geen menselijke rechter kent een persoon volledig, maar toch proberen wij rekening te houden met intentie, kennis, vermogen en omstandigheden.
Hoeveel dieper zou dan het oordeel moeten zijn van een God die de mens volledig kent?
Dat betekent niet dat niemand werkelijk tegen God kan kiezen. De Schrift neemt verharding ernstig. Mensen kunnen waarheid onderdrukken, hun geweten negeren en steeds dieper gehecht raken aan kwaad. De menselijke wil is niet slechts slachtoffer van omstandigheden. Wij kunnen ook medeverantwoordelijk worden voor onze eigen blindheid.
Juist daarom is vrije wil zo ernstig. Onze keuzes bepalen niet alleen wat wij doen, maar vormen langzaam ook wat wij verlangen. Wie steeds opnieuw liegt, maakt waarheid moeilijker. Wie zijn trots voortdurend voedt, maakt nederigheid pijnlijker. Wie steeds kiest voor wat hem beheerst, kan uiteindelijk ervaren dat datgene wat hij ooit vrijwillig koos hem nu gevangenhoudt.
Vrijheid kan dus tegen zichzelf worden gebruikt.
Dat is misschien één van de vreemdste eigenschappen van de menselijke wil. Wij kunnen onze vrijheid inzetten om onszelf minder vrij te maken.
Daarmee wordt de vraag naar oordeel opnieuw ingewikkelder. Want wanneer iemand uiteindelijk volledig gebonden is geraakt aan de gevolgen van zijn eigen keuzes, in hoeverre is zijn uiteindelijke afwijzing dan nog dezelfde vrije keuze waarmee hij ooit begon? En als God werkelijk redt, betekent redding dan alleen dat Hij schuld vergeeft, of betekent het ook dat Hij de wil bevrijdt die zichzelf niet langer kan bevrijden?
Christus spreekt opvallend vaak over vrijheid in termen van bevrijding. De waarheid zal vrijmaken. Wie zondigt is slaaf van de zonde. Als de Zoon vrijmaakt, zal de mens werkelijk vrij zijn. Dat suggereert dat Bijbelse vrijheid meer is dan het vermogen om een keuze te maken. Een mens kan keuzes maken en toch diep onvrij zijn.
Misschien is ware vrijheid daarom niet dat wij eindeloos in staat blijven zowel leven als vernietiging te kiezen. Misschien bestaat vrijheid uiteindelijk in het herstel van de mens tot een toestand waarin niets hem nog verhindert het goede werkelijk als goed te zien en lief te hebben.
Dat betekent niet dat God een ja afdwingt.
Juist het tegenovergestelde.
Dwang zou de wil uitschakelen. Genezing bevrijdt haar.
Wanneer iemand van een verslaving geneest en niet langer verlangt naar datgene wat hem vernietigde, zeggen wij niet dat hij minder vrij geworden is omdat één verlangen uit zijn leven verdwenen is. Wij zeggen dat hij vrijer is geworden omdat dat verlangen geen macht meer over hem heeft.
Misschien is er een geestelijke parallel. Als trots, angst, zelfbedrog, begeerte en verwonding onze wil kunnen vervormen, dan hoeft Gods verlossing niet te betekenen dat Hij onze vrijheid beperkt. Misschien betekent zij dat Hij verwijdert wat ons verhindert werkelijk vrij te zijn.
Daarmee komt een nieuwe vraag in beeld. Als een mens uiteindelijk volledig vrij zou zijn van iedere leugen over zichzelf en over God, zou hij God dan nog afwijzen?
Daar kunnen wij nog geen eenvoudig antwoord op geven. De mogelijkheid tot werkelijke afwijzing behoort tot de ernst van de menselijke vrijheid. Maar we mogen ook niet zonder nadenken aannemen dat het vermogen om eeuwig voor het kwaad te kiezen noodzakelijk het hoogste bewijs van vrijheid is.
God zelf is binnen het christelijk geloof volmaakt vrij en tegelijkertijd volmaakt goed. Zijn onvermogen om kwaad te willen wordt niet gezien als gebrek aan vrijheid. Zijn vrijheid is juist volmaakt omdat zijn wil volledig overeenkomt met waarheid en goedheid.
Misschien zegt dat ook iets over de bestemming van de mens.
Misschien is volmaakte vrijheid niet de eeuwige mogelijkheid om God opnieuw te verlaten, maar de voltooiing van de wil in waarheid. Niet omdat de mens ophoudt een persoon te zijn, maar omdat alles wat hem innerlijk verdeelde uiteindelijk genezen is.
Daarmee wordt de tegenstelling tussen hemel en hel uiteindelijk niet alleen een vraag naar plaatsen, maar naar de toestand van de menselijke wil.
De hemel zou dan niet slechts bestaan uit mensen die tijdens hun aardse leven de juiste keuze hebben gemaakt. Zij zou de voltooiing zijn van gemeenschap met God, waarin de mens eindelijk volledig leeft in datgene waarvoor hij geschapen is.
En de hel, wat zij uiteindelijk ook precies betekent, zou dan iets moeten zeggen over de toestand van een wil die zich tegen die gemeenschap verzet.
Maar dan blijft één vraag over die wij niet kunnen ontwijken.
Kan zo'n verzet werkelijk eeuwig zijn?
Kan een beperkte menselijke wil een beslissing nemen waarvan de gevolgen zonder einde blijven bestaan, terwijl die wil tijdens het maken van die keuze nooit de volledige werkelijkheid kon zien?
En als er uiteindelijk een ogenblik komt waarop de mens wel volledig ziet, wanneer ieder zelfbedrog verdwijnt en hij werkelijk begrijpt wie God is, wie hij zelf is geworden en wat zijn keuzes hebben betekend, wat gebeurt er dan met zijn vrijheid?
Misschien bereiken we daar de grens van wat vrije wil alleen kan verklaren.
Vrijheid verklaart waarom liefde niet kan worden afgedwongen. Zij verklaart waarom onze keuzes werkelijk betekenis hebben. Zij verklaart zelfs waarom een wereld waarin liefde mogelijk is ook een wereld moet zijn waarin de mens zich kan verwijderen van degene die hem liefheeft.
Maar vrije wil alleen vertelt ons nog niet wat God uiteindelijk doet met een mens die zijn vrijheid heeft gebruikt zonder ooit volledig te begrijpen wat hij ermee deed.
Daarvoor moeten we verder kijken.
Naar oordeel.
Naar eeuwigheid.
Naar wat het betekent wanneer alles verborgen uiteindelijk zichtbaar wordt.
En vooral naar de vraag of het oordeel het moment is waarop Gods reddende werk ophoudt, of juist het moment waarop de mens voor het eerst niets meer tussen zichzelf en de volledige waarheid kan plaatsen.
Daar begint het volgende deel.