De vrijheid van het kind
17 minuten leestijd
Als liefde vrijheid vereist, ontstaat een moeilijke vraag: wat betekent die vrijheid wanneer de mens nauwelijks volledig begrijpt wie God is, wie hij zelf is en wat de gevolgen van zijn keuzes werkelijk zijn? Dit geschrift onderzoekt de spanning tussen menselijke verantwoordelijkheid en menselijke blindheid. Niet om de ernst van zonde of keuze te verkleinen, maar om dieper te kijken naar het karakter van God, naar Christus aan het kruis en naar de mogelijkheid dat Gods oordeel volmaakter rekening houdt met onze vrijheid, onze gebrokenheid en ons beperkte begrip dan wij ooit zelf zouden kunnen.
Wij spreken vaak over vrije wil alsof de mens voor God staat met een helder verstand, een onbelemmerde wil en een volledig begrip van de werkelijkheid die voor hem ligt. Alsof ieder mens precies weet wie God is, wat het betekent om van Hem gescheiden te leven, wat zonde werkelijk met de ziel doet en welke betekenis Christus heeft binnen het geheel van zijn bestaan. Vanuit dat beeld wordt de verhouding tussen God en mens bijna eenvoudig: God heeft ons vrijheid gegeven, Christus heeft de weg naar verlossing geopend en vervolgens ligt de keuze bij ons. Wij kunnen Hem aannemen of afwijzen, naar Hem toe bewegen of van Hem weggaan. Liefde kan immers niet worden afgedwongen, dus moet de mogelijkheid bestaan om niet lief te hebben.
Daar zit iets wezenlijks in. Een liefde die niet kan worden geweigerd, verliest iets wezenlijks van haar betekenis. Wanneer een mens niets anders kan dan gehoorzamen, is gehoorzaamheid niet hetzelfde als zichzelf vrijwillig aan een ander toevertrouwen. Wanneer blijven de enige mogelijkheid is, betekent blijven iets anders dan wanneer iemand ook had kunnen vertrekken. In die zin behoort vrijheid tot de waardigheid die God de mens heeft gegeven. Wij zijn geen machines die een vooraf bepaalde beweging uitvoeren, maar wezens die kunnen antwoorden, vertrouwen, weigeren, zoeken, liefhebben en zich verzetten. Juist omdat God de mens niet als instrument maar als persoon heeft geschapen, heeft onze wil betekenis.
Maar dan komt de mens zelf in beeld. Want hoe vrij zijn wij eigenlijk? Wanneer wij eerlijk naar ons eigen leven kijken, zien wij hoe weinig wij soms begrijpen van de krachten die ons vormen. Wij worden geboren in omstandigheden die wij niet hebben gekozen. Wij ontvangen een lichaam, een karakter, ouders, een cultuur, een geschiedenis en een omgeving voordat wij überhaupt begrijpen dat wij bestaan. Onze vroegste ervaringen vormen onze verwachtingen van liefde, vertrouwen, veiligheid en gezag lang voordat wij woorden hebben waarmee wij die ervaringen kunnen beoordelen. Later noemen wij onszelf volwassen, maar ook dan kunnen jaren voorbijgaan voordat wij begrijpen waarom wij bepaalde dingen najagen, waarom sommige angsten ons beheersen of waarom wij steeds opnieuw terechtkomen op plaatsen waarvan wij rationeel weten dat zij ons geen goed doen.
De mens bezit daarom misschien wel een werkelijke wil, maar die wil bevindt zich nooit in een vacuüm. Zij beweegt door een innerlijke wereld van verlangen, angst, herinnering, verwonding, overtuiging, trots, onwetendheid en hoop. Wij kunnen iets kiezen zonder volledig te begrijpen waarom wij het kiezen. Wij kunnen iets afwijzen terwijl wij menen helder te zien, om jaren later te ontdekken dat wij vooral reageerden vanuit pijn of angst. Wij kunnen onszelf vrijheid noemen terwijl wij worden geregeerd door verlangens waarover wij nauwelijks macht hebben. De ervaring van ieder mens laat zien dat kunnen kiezen niet automatisch betekent dat wij volledig vrij zijn.
Dat maakt de vraag naar God veel ernstiger. Wanneer iemand zegt dat hij God niet wil, weten wij dan werkelijk wat die mens afwijst? Misschien heeft hij God leren kennen door een vader die de naam van God gebruikte om zijn gezin te beheersen. Misschien werd Christus hem voorgesteld door mensen bij wie oordeel veel zichtbaarder was dan liefde. Misschien heeft iemand het christelijk geloof alleen leren kennen als een verzameling verboden, als een politiek symbool, als culturele gewoonte of als religieuze hypocrisie. Een ander is misschien opgegroeid zonder enige betekenisvolle ontmoeting met het evangelie. Weer een ander heeft Christus wel gekend in woorden, maar nooit iets gezien wat hem hielp begrijpen wat die woorden werkelijk betekenen.
Daar moeten we voorzichtig zijn. Een mens kan een beeld van God afwijzen zonder God zelf volledig te kennen. Hij kan zich verzetten tegen iets wat hem als Christus is aangeboden, terwijl dat beeld zo vervormd is dat het nauwelijks lijkt op de Christus die wij in de evangeliën ontmoeten. Dat maakt waarheid niet relatief. Christus verandert niet omdat wij Hem verkeerd begrijpen. Maar het betekent wel dat wij uiterst voorzichtig moeten zijn wanneer wij menen te weten wat zich werkelijk voltrekt in de ziel van een ander mens. Wij zien zijn woorden en daden. God ziet ook alles wat eraan voorafging. Wij horen iemand zeggen dat hij niet gelooft. God weet welke God die persoon denkt niet te geloven. Wij zien weerstand. God kent de geschiedenis waaruit die weerstand is gegroeid.
Juist daar wordt een woord van Christus aan het kruis bijzonder aangrijpend. Terwijl mensen Hem bespotten, martelen en kruisigen, bidt Hij: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” De betekenis daarvan is moeilijk volledig te doorgronden. Christus zegt niet dat zij niets hebben gedaan. Hij ontkent hun handelen niet en verklaart het kwaad niet onschuldig. Zij zijn daadwerkelijk verantwoordelijk voor wat zij doen. Toch ziet Hij tegelijkertijd een laag dieper dan hun zichtbare handelen: zij weten niet volledig wat zij doen.
Daar zien we iets belangrijks: zij zijn verantwoordelijk, maar begrijpen tegelijk niet volledig wat zij doen. Dezelfde mensen kunnen werkelijk handelen en toch de volledige betekenis van hun handelen niet begrijpen. Zij kunnen Christus kruisigen en tegelijkertijd niet doorzien wie voor hen staat. Dat is misschien één van de meest indringende beelden van de menselijke toestand. Wij zijn niet machteloos, maar ook niet alwetend. Wij zijn verantwoordelijk, maar onze verantwoordelijkheid bestaat binnen grenzen van kennis, bewustzijn en innerlijke vrijheid die alleen God volledig kent.
Misschien vraagt Gods oordeel daarom om meer nederigheid van ons. Menselijk oordeel is noodzakelijkerwijs onvolledig omdat wij bijna nooit de gehele mens kennen. Wij zien een beslissing, maar niet iedere ervaring die eraan voorafging. Wij zien het gedrag van vandaag, maar niet alle jaren waarin het hart is gevormd. Wij kunnen iemands woorden beoordelen, maar wij weten niet precies hoeveel licht hij werkelijk heeft ontvangen, hoeveel waarheid hij heeft kunnen herkennen of hoeveel van zijn weerstand voortkomt uit bewuste verharding en hoeveel uit angst, misleiding of verwonding. God kent die grenzen niet. Hij hoeft niets te veronderstellen over de mens, want Hij kent hem volledig.
Dat betekent niet dat onze keuzes betekenisloos worden. Juist het tegenovergestelde. Wanneer vrijheid werkelijk bestaat, doet het ertoe wat wij met die vrijheid doen. Liefde vormt ons, maar zonde vormt ons eveneens. Wat wij herhaaldelijk kiezen, laat sporen achter in ons karakter. Een leugen die ons eerst ongemakkelijk maakt, kan door herhaling normaal gaan voelen. Bitterheid kan zo lang worden gevoed dat vergeving uiteindelijk onnatuurlijk lijkt. Begeerte kan zo vaak worden gehoorzaamd dat zij zich begint voor te doen als behoefte. Trots kan zo diep in een mens groeien dat nederigheid niet langer als vrijheid maar als bedreiging wordt ervaren. Onze keuzes zijn dus niet alleen afzonderlijke handelingen. Door wat wij doen, worden wij langzaam iemand.
Misschien is dit juist het gevaar van vrijheid: dat wij haar kunnen gebruiken om onszelf minder vrij te maken. De verslaafde heeft ooit keuzes gemaakt, maar op een bepaald moment is zijn vermogen om vrij te kiezen aangetast door wat die eerdere keuzes in hem hebben opgebouwd. Hetzelfde kan geestelijk gebeuren. Een mens kan zo gewend raken aan zichzelf als middelpunt dat iedere waarheid die hem daarvan bevrijdt eerst als verlies voelt. Hij kan zo lang van het licht wegkijken dat zijn ogen aan de duisternis gewend raken.
Wanneer wij dit begrijpen, krijgt verlossing een diepere betekenis. Christus komt dan niet alleen om een schuldrekening te vereffenen tussen God en mens, hoewel vergeving wezenlijk deel uitmaakt van het evangelie. Hij komt ook om de mens te bevrijden van datgene waarin zijn vrijheid verstrikt is geraakt. Hij opent ogen, herstelt wat gebroken is, roept mensen uit een bestaan waarin zij zichzelf niet langer volledig kunnen bevrijden. Het beeld dat de Schrift van de mens geeft is daarom niet alleen dat van een schuldige die vrijspraak nodig heeft, maar ook van een blinde die moet leren zien, een zieke die genezing nodig heeft, een gevangene die bevrijd moet worden, een verlorene die gevonden moet worden en een dode die opnieuw tot leven moet komen.
En juist daar zien we iets van Gods hart. Het evangelie laat ons niet een God zien die twee mogelijkheden voor de mens neerlegt en vervolgens op afstand wacht om te zien of wij intelligent genoeg zijn de juiste te kiezen. Christus vertelt over een herder die merkt dat één schaap verdwenen is en naar dat schaap op zoek gaat. Hij vertelt over een vrouw die een verloren munt zoekt totdat zij haar vindt. Hij vertelt over een vader die zijn zoon laat vertrekken, maar wiens houding bij de terugkeer laat zien dat het vertrek nooit onverschillig voor hem is geweest. In deze gelijkenissen wordt menselijke vrijheid niet ontkend, maar Gods liefde wordt evenmin gereduceerd tot passief afwachten.
Juist de gelijkenis van de verloren zoon bevat iets wat diep raakt aan de spanning tussen vrijheid en liefde. De vader verhindert zijn zoon niet om te vertrekken. Hij respecteert zijn keuze zelfs wanneer die keuze hem van huis wegvoert. De zoon moet vervolgens ervaren wat hij dacht te willen. Hij krijgt de vrijheid die hij verlangde, maar ontdekt in het verre land dat vrijheid en vervulling niet hetzelfde zijn. Wat op het moment van vertrek als onafhankelijkheid voelde, blijkt uiteindelijk leegte te bevatten. Pas wanneer hij alles heeft verloren, zegt het evangelie dat hij “tot zichzelf komt”. Dat is een wonderlijke formulering. Alsof terugkeer naar de vader niet slechts een verandering van locatie is, maar tegelijkertijd een terugkeer naar zijn eigen ware werkelijkheid.
Misschien gebeurt er iets soortgelijks in ieder mens die zich van God verwijdert. Wij denken soms dat wij onszelf moeten bevrijden van God om werkelijk onszelf te kunnen worden, terwijl wij uiteindelijk ontdekken dat wij zonder de bron van ons bestaan ook steeds minder begrijpen wie wij zelf zijn. Wij zoeken vrijheid, maar raken gebonden aan onze verlangens. Wij zoeken erkenning en worden afhankelijk van de blik van anderen. Wij zoeken genoegdoening in bezit, succes, begeerte of macht, maar merken dat geen van die dingen het gewicht kan dragen dat wij erop leggen. Er ontstaat een rusteloosheid die wij op talloze manieren kunnen proberen te verdoven, maar die telkens terugkeert omdat het hart vraagt om iets wat geen geschapen ding volledig kan geven.
Misschien is zelfs die rusteloosheid een vorm van genade. Niet omdat ieder gevoel van leegte rechtstreeks door God wordt veroorzaakt, en zeker niet omdat ieder menselijk lijden eenvoudig als goddelijke les kan worden verklaard. Maar het is mogelijk dat God zelfs in onze verlorenheid wegen opent waardoor wij opnieuw beginnen te zien. Een nederlaag kan de illusie van zelfgenoegzaamheid breken. Een verlies kan zichtbaar maken hoeveel wij op vergankelijke dingen hadden gebouwd. Een ontmoeting kan een overtuiging doen wankelen die jarenlang onaantastbaar leek. Een onverwacht moment van schoonheid, schuld, verlangen of stilte kan een opening maken waar eerder alleen geslotenheid bestond.
Dan wordt de grens tussen zoeken en gevonden worden moeilijker te trekken. Wij zeggen dat iemand God is gaan zoeken, maar misschien begon daarachter al iets wat hem naar huis riep. Wij zeggen dat de verloren zoon besloot terug te keren, maar zijn herinnering aan het huis van zijn vader was al in hem aanwezig. Wij spreken over onze beslissing om Christus te volgen, en terecht, maar het evangelie vertelt tegelijk over een God die eerder liefheeft, eerder roept en eerder op zoek gaat. Genade vernietigt onze wil niet. Misschien maakt zij juist mogelijk dat onze wil weer kan verlangen naar datgene waarvoor hij oorspronkelijk bedoeld was.
Dat brengt de vraag naar vrije wil op een nog dieper niveau. Misschien bestaat ware vrijheid niet eenvoudig uit het vermogen om tussen twee mogelijkheden te kiezen. Een verslaafde kan technisch gezien keuzes maken en toch diep onvrij zijn. Een mens die volledig wordt beheerst door zijn trots kan zeggen dat hij zelf bepaalt hoe hij leeft, terwijl zijn innerlijke wereld hem nauwelijks toestaat zich kwetsbaar aan iemand toe te vertrouwen. Vrij zijn betekent niet alleen dat niemand ons tegenhoudt. We moeten ook durven vragen of de verlangens die ons sturen ons werkelijk vrijmaken.
Christus lijkt een andere vrijheid te verkondigen. Een vrijheid waarin waarheid ons werkelijk vrijmaakt, waarin een mens niet langer slaaf hoeft te zijn van datgene wat hem van binnenuit regeert. Misschien beperkt heiligheid onze vrijheid daarom niet, maar geneest zij haar. De mens die uiteindelijk in staat is het goede werkelijk lief te hebben, is niet minder vrij omdat hij niet langer naar zijn vroegere gevangenschap verlangt. Iemand die genezen is van een verslaving heeft niet minder vrijheid omdat hij niet meer verlangt terug te keren naar wat hem vernietigde. Misschien bestaat de volheid van menselijke vrijheid daarom niet in een eeuwige mogelijkheid om van God weg te lopen, maar in een wil die uiteindelijk zo genezen is dat zij God kan zien zoals Hij werkelijk is en Hem liefheeft zonder angst, misleiding of innerlijke slavernij.
Daar komen we bij een vraag die zich niet eenvoudig laat beantwoorden. Als een mens God ooit werkelijk zou zien, niet een religieuze voorstelling, niet een projectie van zijn eigen angsten, niet de misvorming van menselijke instellingen, maar God in de volheid van zijn waarheid en goedheid, wat zou dat zien dan met de menselijke wil doen? Zou de mens Hem dan nog op dezelfde manier kunnen afwijzen? Of zouden veel dingen die wij nu vrijheid noemen zichtbaar worden als vormen van blindheid waarvan wij bevrijd moesten worden?
Wij weten dat niet volledig, en juist daar is bescheidenheid nodig. Het christelijk geloof geeft ons ernstige woorden over oordeel, verharding en verlorenheid. Die woorden mogen niet worden weggeschreven omdat wij graag een gemakkelijkere werkelijkheid zouden willen. Tegelijkertijd hebben wij evenmin het recht om met grotere zekerheid over de grenzen van Gods genade te spreken dan de openbaring ons toestaat. Er bestaat een verschil tussen vertrouwen dat God rechtvaardig oordeelt en menen dat wij precies begrijpen hoe Hij iedere menselijke ziel zal beoordelen.
Wat wij wel weten, is wie in het christelijk geloof de Rechter is. Het is dezelfde Christus die huilde bij het graf van Lazarus, die bewogen werd door mensen die als schapen zonder herder waren, die at met mensen die door de religieuze wereld werden gemeden, die Petrus na zijn verloochening opnieuw opzocht en die aan het kruis bad voor degenen die niet begrepen wat zij deden. Dat maakt het oordeel niet minder ernstig. Het maakt wel duidelijk dat degene die oordeelt geen afstandelijke macht is die onze zwakte slechts juridisch registreert. Hij heeft onze menselijke toestand van binnenuit gekend.
Misschien ligt daarin de grootste rust die een mens rond deze vragen kan vinden. Onze uiteindelijke beoordeling ligt niet in handen van mensen die slechts fragmenten van ons leven kennen. Zij ligt in handen van Degene die iedere seconde heeft gezien. Hij weet wat wij hebben ontvangen en wat ons nooit is gegeven. Hij weet wanneer wij bewust wegkeken en wanneer wij werkelijk niet konden zien. Hij kent de zonde die wij verborgen hielden, maar ook de verwondingen die niemand kende. Hij weet waar wij onszelf bedrogen en waar anderen ons hebben misleid. Hij kent onze verantwoordelijkheid zonder onze gebrokenheid te negeren, en onze gebrokenheid zonder daardoor het kwaad goed te noemen.
Misschien hoef ik niet precies te begrijpen hoe onze vrijheid en Gods genade samenkomen om Hem te kunnen vertrouwen. Misschien is de mens inderdaad als een kind dat werkelijk kan weglopen, werkelijk koppig kan zijn en werkelijk gevaarlijke keuzes kan maken, terwijl het tegelijkertijd niet in staat is de gehele betekenis van zijn vertrek te begrijpen. Een goede vader neemt de keuzes van zijn kind serieus, maar zijn liefde wordt niet opgeheven door de onwetendheid van dat kind. Juist omdat hij verder kan zien, draagt hij een verantwoordelijkheid die het kind zelf niet kan dragen.
En juist daar komt Christus voor mij het scherpst in beeld. God bleef niet op afstand terwijl de mens de gevolgen van zijn vrijheid droeg. Hij trad onze werkelijkheid binnen. Hij nam vlees aan, kende honger, verdriet, verwerping en pijn, en liet uiteindelijk toe dat de menselijke wil zich in haar duisterste vorm tegen Hem keerde. Aan het kruis zien wij wat de mens met zijn vrijheid kan doen wanneer hij God niet herkent. Wij kruisigen degene naar wie wij zeggen te verlangen.
Maar het kruis laat tegelijkertijd zien wat God met zijn vrijheid doet.
Hij blijft liefhebben.
Niet goedkoop, niet zonder waarheid en niet door het kwaad te ontkennen, maar door het zelf te dragen en midden in onze verlorenheid een weg naar verzoening te openen. Daarom is Christus niet slechts Gods antwoord op onze schuld, maar ook Gods antwoord op onze blindheid. In Hem komt God zelf het verre land binnen waar wij ons hebben teruggetrokken.
Misschien is dat de diepste betekenis van verlossing. Niet dat de mens uiteindelijk intelligent genoeg werd om op eigen kracht de juiste conclusie over God te trekken, maar dat God zich naar de mens toe boog totdat de mens Hem kon herkennen. Niet dat onze vrijheid waardeloos blijkt, maar dat God onze vrijheid zo serieus neemt dat Hij haar niet vernietigt en haar tegelijkertijd niet aan haar eigen verwarring overlaat. Hij roept, overtuigt, zoekt, corrigeert, vergeeft en geneest, zodat onze uiteindelijke beweging naar Hem geen geprogrammeerde gehoorzaamheid wordt, maar een steeds helderder antwoord op waarheid.
Misschien zullen wij ooit ontdekken hoeveel van ons leven al door die stille roep werd omgeven. Hoe vaak wij dachten alleen te zijn terwijl wij werden gezocht. Hoe vaak iets in ons onrustig bleef omdat het hart zich niet volledig kon neerleggen bij een leven ver van zijn oorsprong. Hoe vaak wij onze vrijheid gebruikten om weg te lopen en toch ergens diep vanbinnen het vermoeden behielden dat er een huis bestond dat wij vergeten waren.
Dan krijgt het beeld van het kind zijn volledige betekenis. Een kind kan werkelijk bij zijn vader vandaan lopen. Het kan zelfs denken dat het voor het eerst vrij is omdat niemand zijn hand meer vasthoudt. Maar het begrijpt de wereld waarin het terechtkomt nog niet volledig. Het kent niet ieder gevaar en kan de afstand naar huis verkeerd inschatten. De vader begrijpt dat allemaal wel.
Misschien kent God ons op die manier, zonder ons daardoor kleiner of minder verantwoordelijk te maken. Hij kent eenvoudig de volledige waarheid over onze vrijheid. Hij weet hoeveel ervan werkelijk vrij is en hoeveel nog genezing nodig heeft. Hij weet welke keuzes uit liefde voortkomen en welke uit angst. Hij weet wanneer wij tegen Hem strijden en wanneer wij slechts vechten tegen een beeld van Hem dat nooit werkelijk Hem is geweest.
Daarom durf ik mijn hoop niet te bouwen op de volmaaktheid van mijn eigen begrip. Ik weet hoe vaak ik iets pas later begreep wat mij eerder volledig duidelijk leek. Ik weet hoe gemakkelijk een mens zichzelf kan misleiden en hoe diep onze verlangens onze overtuigingen kunnen kleuren. Als alles uiteindelijk zou afhangen van het vermogen van een beperkt mens om op ieder ogenblik volkomen te begrijpen wat hij kiest, zou er weinig reden zijn voor rust.
Mijn hoop rust daarom in Christus.
Niet omdat mijn keuzes er niet toe doen, maar omdat Hij mij beter kent dan ik mijzelf ken. Niet omdat zonde onbelangrijk is, maar omdat zijn genade dieper gaat dan mijn eigen vermogen om mijzelf te herstellen. Niet omdat vrijheid een illusie is, maar omdat Hij alleen werkelijk weet wat het betekent een mens vrij te maken.
Misschien komt het uiteindelijk hierop neer. God heeft ons niet geschapen om Hem mechanisch te gehoorzamen, maar om Hem werkelijk lief te hebben. Liefde vraagt vrijheid, maar onze vrijheid is gewond geraakt. Christus komt daarom niet om liefde af te dwingen, maar om de mens te herstellen zodat liefde opnieuw werkelijk mogelijk wordt.
En misschien zal het kind dan uiteindelijk begrijpen dat de Vader nooit zijn vijand was. Dat de grenzen waarvan het dacht dat zij zijn vrijheid beperkten, soms bescherming waren. Dat de verlangens die het voor vrijheid aanzag, het juist gevangen hielden. Dat de stem die het in de verte hoorde geen stem van controle was, maar de stem van iemand die wist waar de weg eindigde.
Misschien begint verlossing daar waar een mens eindelijk begint te zien wie God werkelijk is. Wanneer angst plaatsmaakt voor herkenning, wanneer verzet niet door dwang maar door waarheid wordt doorbroken, en wanneer de wil die zoveel andere dingen heeft gezocht eindelijk begrijpt waar haar diepste verlangen altijd op gericht was.
Dan keert het kind niet terug omdat het zijn vrijheid heeft verloren.
Het keert terug omdat het eindelijk ziet waar thuis is.