De berg, de Koning en Zijn Koninkrijk
13 minuten leestijd
Jezus opent de Bergrede niet als een gewone leraar, maar als de Koning die met eigen gezag spreekt over het leven onder Gods heerschappij. Wie Hem werkelijk hoort, ontvangt daarom geen vrijblijvend advies, maar wordt geroepen tot gehoorzaamheid.
Onderdeel van de reeks
De Bergrede: de vorming van de christelijke man
Deel 1 van 18
Bekijk de volledige reeksToen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op. Hij ging zitten, Zijn discipelen kwamen bij Hem en Hij opende Zijn mond om hen te onderwijzen. Met deze eenvoudige woorden begint Mattheüs de Bergrede. Op het eerste gezicht lijkt het slechts een korte beschrijving van plaats en houding, een overgang tussen de gebeurtenissen die eraan voorafgaan en het onderwijs dat volgt. Toch legt Mattheüs in deze twee verzen het fundament onder alles wat Jezus daarna zal zeggen. De vraag is niet alleen wat er op de berg wordt onderwezen, maar vooral wie daar spreekt, tot wie Hij spreekt en met welk gezag Zijn woorden tot ons komen.
Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. En Hij opende Zijn mond en onderwees hen.
Mattheüs 5:1-2
Jezus bevindt zich op dat moment aan het begin van Zijn openbare optreden in Galilea. Hij heeft het Koninkrijk der hemelen verkondigd, mensen geroepen om Hem te volgen, zieken genezen en grote menigten zijn Hem achternagegaan. Mattheüs vermeldt dat mensen uit Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en het gebied over de Jordaan naar Hem toe kwamen. Zijn naam verspreidt zich, de menigte groeit en overal wordt zichtbaar dat er iets nieuws is begonnen. Toch gebruikt Jezus de aandacht niet om Zichzelf als wonderdoener te presenteren. Hij trekt zich ook niet terug van de mensen. Hij gaat de berg op en begint te spreken.
De berg is in de Schrift zelden slechts een willekeurige verhoging in het landschap. Bergen zijn plaatsen waar God Zich openbaart, waar de mens wordt geroepen, waar verbonden worden bevestigd en waar beslissende ontmoetingen plaatsvinden. Noach offert na de vloed op het gebergte van Ararat. Abraham wordt op een berg beproefd wanneer hij Izak moet offeren. Mozes ontvangt de wet op de Sinaï. Elia ontmoet God op de Horeb. De tempel wordt gebouwd op de berg Sion. Wanneer Mattheüs vertelt dat Jezus de berg opgaat en begint te onderwijzen, klinkt daarom onvermijdelijk de geschiedenis van Israël mee.
Vooral de overeenkomst met Mozes is betekenisvol. Mozes ging de berg op en ontving daar van God de woorden van het verbond. Israël stond beneden en ontving de wet door bemiddeling van de man die God had geroepen. In de Bergrede gaat Jezus eveneens de berg op, maar het verschil is minstens zo belangrijk als de overeenkomst. Jezus ontvangt niet eerst woorden die Hij vervolgens in naam van een ander doorgeeft. Hij spreekt met eigen gezag. Herhaaldelijk zal Hij zeggen: “U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is, maar Ik zeg u.” Hij plaatst Zijn eigen woord niet naast Gods openbaring als een menselijke aanvulling. Hij spreekt als Degene die de uiteindelijke betekenis van Gods wil kent en openbaart.
Daarmee verschijnt Jezus niet slechts als een nieuwe Mozes. Hij is groter dan Mozes. Mozes was de trouwe dienaar die ontving wat God sprak. Jezus spreekt als de Zoon. Hij is niet gekomen om de Wet en de Profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. In Hem bereikt alles wat eraan voorafging zijn doel. De berg is daarom geen toneel voor de geboorte van een concurrerende religie. Jezus staat niet tegenover de God van Israël en ook niet tegenover de Schrift. Hij openbaart de volle werkelijkheid waarop de Schrift altijd heeft gewezen.
Mattheüs schrijft vervolgens dat Jezus ging zitten. In onze tijd lijkt zitten misschien informeel, maar in de Joodse onderwijstraditie was het de gebruikelijke houding van een leraar die met gezag onderwijs gaf. Jezus neemt plaats en Zijn leerlingen komen naar Hem toe. Daarmee ontstaat een onderscheid tussen de menigte en de discipelen. De menigte heeft Zijn wonderen gezien en is door Zijn optreden aangetrokken. De discipelen zijn echter geroepen om Hem te volgen. Zij komen dichterbij omdat zij niet alleen iets van Hem willen ontvangen, maar bij Hem willen horen en door Hem gevormd willen worden.
Dat onderscheid loopt door de hele Bergrede heen. Jezus spreekt in aanwezigheid van de menigte, maar Hij onderwijst in de eerste plaats Zijn leerlingen. De woorden zijn bedoeld voor mensen die zich aan Hem hebben verbonden, die Zijn stem willen volgen en die hun leven onder Zijn heerschappij willen brengen. De Bergrede is daarom niet eenvoudigweg een algemeen ethisch programma voor de mensheid. Zij beschrijft het leven van mensen die door Jezus tot discipelschap zijn geroepen.
Dat betekent niet dat de menigte wordt buitengesloten. Aan het einde van de rede blijkt dat zij alles heeft gehoord en verbaasd is over Zijn onderwijs. De woorden klinken dus in het openbaar. Iedereen mag luisteren. Iedereen wordt geconfronteerd met Jezus. Toch kan alleen de discipel werkelijk begrijpen wat gehoorzaamheid aan deze woorden vraagt, want de Bergrede veronderstelt een relatie met de Koning die spreekt.
Het verschil tussen menigte en discipel is ook vandaag van betekenis. Het is mogelijk om door Jezus aangetrokken te worden zonder Hem werkelijk te volgen. Iemand kan onder de indruk zijn van Zijn woorden, Zijn liefde bewonderen, Zijn wonderen bespreken of delen van Zijn onderwijs overnemen, terwijl hij toch op afstand blijft. De menigte wil vaak ontvangen, zien en ervaren. De discipel komt dichterbij om te luisteren, te leren en te gehoorzamen.
Dat onderscheid is niet altijd onmiddellijk zichtbaar. Zowel de menigte als de discipelen bevinden zich in de nabijheid van Jezus. Beiden horen Zijn woorden. Beiden kunnen verbaasd raken. Toch wordt pas later duidelijk wie werkelijk op Hem bouwt. De Bergrede eindigt daarom met het beeld van twee mannen die allebei horen. Slechts één doet wat Jezus zegt. De ware discipel onderscheidt zich uiteindelijk niet door nabijheid, bewondering of kennis, maar door gehoorzaamheid.
Mattheüs voegt eraan toe dat Jezus Zijn mond opende. Ook dat klinkt in onze taal vanzelfsprekend, want wie spreekt, opent nu eenmaal zijn mond. In de Bijbelse en Joodse vertelwijze kan deze formulering echter een plechtige inleiding vormen op belangrijk onderwijs. Wat volgt, is geen terloopse opmerking. Jezus gaat niet een paar praktische adviezen geven over een gelukkig leven. Hij spreekt woorden die de mens plaatsen tegenover God, het Koninkrijk, gerechtigheid, oordeel en eeuwige bestemming.
Vanaf het begin moet daarom duidelijk zijn dat de Bergrede niet neutraal kan worden ontvangen. Zij vraagt niet slechts of wij de inhoud overtuigend vinden. Zij plaatst ons tegenover Degene die spreekt. Wie Jezus alleen als een wijze leraar beschouwt, zal Zijn woorden beoordelen alsof zij voorstellen zijn waaruit men naar eigen voorkeur kan kiezen. Wie Hem als Koning erkent, ontvangt Zijn woorden anders. Dan wordt de vraag niet of Zijn onderwijs bij mijn bestaande overtuigingen past, maar of mijn overtuigingen zich aan Hem onderwerpen.
Het Koninkrijk der hemelen vormt de grote achtergrond van de Bergrede. Jezus had kort daarvoor verkondigd: “Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” De Bergrede laat vervolgens zien wat het betekent wanneer dat Koninkrijk werkelijk nabij komt. Het Koninkrijk is niet in de eerste plaats een gebied op een kaart. Het is de heerschappij van God. Waar God als Koning wordt erkend, worden menselijke verlangens, verhoudingen en prioriteiten opnieuw geordend.
Daarom spreekt Jezus over veel meer dan persoonlijke vroomheid. Hij spreekt over woede en verzoening, begeerte en huwelijk, waarheid en beloften, vijanden en vergelding, geven en bidden, bezit en bezorgdheid, oordeel en onderscheid. Gods heerschappij raakt het hele leven. Het Koninkrijk blijft niet beperkt tot de tempel, de synagoge of het gebed. Het dringt door tot de manier waarop iemand kijkt, spreekt, verlangt, vergeeft, bezit en vertrouwt.
De Bergrede begint met de zaligsprekingen, waarin Jezus verklaart wie gezegend zijn. Opvallend genoeg zijn dat niet vanzelfsprekend de mensen die de wereld gelukkig noemt. De armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen en de vervolgden lijken naar menselijke maatstaven niet de winnaars van het leven. Toch noemt Jezus juist hen gezegend, omdat Gods Koninkrijk de waarden van de gevallen wereld omkeert. De Koning beoordeelt anders dan de menigte.
De wereld ziet macht en noemt haar kracht. Jezus ziet zachtmoedigheid en noemt haar gezegend. De wereld ziet zichtbaarheid en noemt haar invloed. Jezus ziet verborgen trouw en belooft dat de Vader haar zal belonen. De wereld ziet bezit en noemt het zekerheid. Jezus waarschuwt dat rijkdom een meester kan worden. De wereld ziet vergelding en noemt het rechtvaardigheid. Jezus ontmaskert de wraakzucht die zich daarachter kan verbergen. De komst van het Koninkrijk betekent daarom ook dat onze maatstaven worden beoordeeld.
Dat is confronterend, omdat de mens graag God toevoegt aan het leven dat hij al heeft ingericht. Hij wil vaak dat God zijn plannen zegent, zijn identiteit bevestigt en hem helpt zijn doelen te bereiken. Het Koninkrijk werkt anders. Het voegt God niet toe aan onze bestaande heerschappij. Het beëindigt haar. De mens wordt niet gevraagd een plaats voor Christus vrij te maken. Hij wordt geroepen het geheel aan Hem over te geven.
Daarom begint de prediking van het Koninkrijk met bekering. Bekering is niet alleen spijt over enkele verkeerde daden. Het is een omkeer van denken, verlangen en richting. De mens die zichzelf als uiteindelijke maatstaf beschouwde, buigt voor de Koning. Hij ontvangt niet langer alleen datgene uit het onderwijs van Jezus wat hem aanspreekt. Hij laat zich juist corrigeren waar de woorden van Christus botsen met zijn eigen wil.
Dat is de betekenis van discipelschap. Een discipel verzamelt niet alleen informatie van zijn meester. Hij wordt gevormd naar diens onderwijs en voorbeeld. Hij leert niet alleen wat Jezus denkt, maar leert ook anders kijken, spreken en handelen. Zijn leven wordt steeds meer geordend door de werkelijkheid van het Koninkrijk.
De Bergrede mag daarom niet worden losgemaakt van de persoon van Christus. Wanneer zij wordt gereduceerd tot een universele moraal, worden haar scherpste kanten onvermijdelijk afgezwakt. Vijandenliefde wordt dan een algemeen ideaal van verdraagzaamheid. Arm van geest worden verandert in bescheidenheid. Reinheid van hart wordt oprechtheid. Het zoeken van Gods Koninkrijk wordt persoonlijke zingeving. De woorden blijven aantrekkelijk, maar de Koning verdwijnt.
Jezus laat die scheiding niet toe. De hele rede beweegt naar de vraag wat de hoorder met Zijn woorden doet. Hij zegt niet alleen dat iemand moet bouwen op waarheid of wijsheid. Hij zegt dat wie “deze woorden van Mij” hoort en doet, bouwt op de rots. Daarmee verbindt Hij het fundament van een mensenleven aan gehoorzaamheid aan Zijn eigen stem.
Dit gezag wordt aan het einde door de menigte herkend. Zij is diep onder de indruk, omdat Hij hen onderwijst als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden. De schriftgeleerden baseerden hun uitleg gewoonlijk op eerdere leraren en erkende tradities. Jezus beroept Zich uiteindelijk op niemand buiten Zichzelf. Hij spreekt niet onzeker, voorlopig of afgeleid. Zijn woord draagt in zichzelf gezag.
Daarmee vraagt de Bergrede vanaf de eerste verzen om een beslissing. Wie is deze Jezus? Is Hij een leraar tussen vele anderen, wiens inzichten wij kunnen vergelijken met onze eigen overtuigingen? Is Hij een religieuze hervormer, interessant voor wie zich tot het christendom aangetrokken voelt? Of is Hij werkelijk de Koning, door Wie God Zijn heerschappij nabij heeft gebracht?
Wanneer Hij Koning is, kan de hoorder niet buiten schot blijven. Dan zijn Zijn woorden niet alleen waar wanneer zij troosten, maar ook wanneer zij ontmaskeren. Niet alleen wanneer zij spreken over de liefde van de Vader, maar ook wanneer zij waarschuwen voor oordeel. Niet alleen wanneer zij de zachtmoedigen zalig noemen, maar ook wanneer zij verklaren dat de brede weg naar het verderf leidt. De Koning mag niet worden verdeeld in een Jezus die wij graag ontvangen en een Jezus wiens woorden wij terzijde schuiven.
De eerste beweging van de Bergrede is daarom niet spreken, maar luisteren. De discipelen komen tot Jezus en nemen de houding aan van mensen die willen ontvangen. Zij beginnen niet met hun eigen uitleg, bezwaren of verlangens. Zij komen dichterbij. Dat is ook de houding die nodig is om deze rede werkelijk te begrijpen.
Luisteren naar Christus vraagt stilte tegenover onze neiging om onszelf onmiddellijk te verdedigen. Wanneer Hij over woede spreekt, willen wij uitleggen waarom onze boosheid gerechtvaardigd is. Wanneer Hij over bezit spreekt, willen wij aantonen dat onze zorgen verstandig zijn. Wanneer Hij over vijandenliefde spreekt, willen wij uitzonderingen formuleren. Wanneer Hij over oordeel spreekt, willen wij de waarschuwing op iemand anders toepassen. Werkelijk luisteren begint waar die verdediging tijdelijk zwijgt en wij de mogelijkheid toelaten dat Hij ons rechtvaardig tegenspreekt.
Dit betekent niet dat de woorden van Jezus gedachteloos of zonder zorgvuldige uitleg moeten worden ontvangen. De Bergrede vraagt juist om diep onderzoek naar taal, context en samenhang. Maar uitleg mag nooit een manier worden om gehoorzaamheid te ontwijken. Theologische kennis kan de tekst openen, maar ook een veilige afstand scheppen wanneer zij niet leidt tot bekering.
De berg waarop Jezus zit, wordt zo een plaats van onthulling. Niet alleen van Gods wil, maar ook van het menselijk hart. De Koning spreekt en ieder woord brengt aan het licht wie wij werkelijk dienen. Woede onthult onze verhouding tot eer. Begeerte onthult onze omgang met de ander. Geld onthult waar wij zekerheid zoeken. Gebed onthult voor wiens ogen wij leven. Bezorgdheid onthult wie wij vertrouwen. Oordeel onthult hoe wij onszelf tegenover anderen plaatsen.
Toch is het eerste woord van de Koning geen veroordeling, maar zegen. Hij begint met “zalig”. Dat is belangrijk. De heerschappij van God wordt niet geopend door mensen die hun geschiktheid hebben bewezen, maar voor armen van geest. De Koning roept mensen die weten dat zij Hem nodig hebben. Hij verlangt volledige gehoorzaamheid, maar Hij ontmoet de discipel niet pas nadat die zichzelf volmaakt heeft gemaakt. Hij begint bij afhankelijkheid.
Daarin ligt zowel vernedering als hoop. Vernedering, omdat niemand op grond van eigen kracht, moraal of religie aanspraak kan maken op het Koninkrijk. Hoop, omdat het Koninkrijk juist wordt beloofd aan mensen die met lege handen komen. De Bergrede kan daarom alleen goed gelezen worden door wie bereid is tegelijk ernstig genomen en ontmaskerd te worden, zonder te vluchten voor de genade waarmee Jezus begint.
De berg, de Koning en Zijn Koninkrijk vormen samen het kader voor alles wat volgt. De berg herinnert aan Gods openbaring en het verbond. De Koning spreekt met een gezag dat groter is dan dat van Mozes en de schriftgeleerden. Het Koninkrijk beschrijft de werkelijkheid waarin het gehele leven onder Gods heerschappij wordt gebracht. De discipel komt dichterbij, luistert en wordt geroepen Zijn woorden te doen.
De vraag waarmee de Bergrede opent, is daarom niet alleen wat Jezus zal zeggen. De diepere vraag is of wij bereid zijn te ontvangen wat Hij zegt als het woord van de Koning. Zolang wij onszelf het recht voorbehouden om te kiezen welke woorden gezag over ons krijgen, zijn wij nog steeds onze eigen heer. Discipelschap begint waar dat recht wordt neergelegd.
De Koning heeft plaatsgenomen. Zijn leerlingen zijn tot Hem gekomen. Hij opent Zijn mond en spreekt. Vanaf dat moment is niemand die Hem werkelijk hoort nog dezelfde.