Waar wijsheid leerde buigen
27 minuten leestijd
Een contemplatief geschrift over een levenslang verlangen naar waarheid, de aard van de werkelijkheid, de grenzen van het begrijpen en de aanwezigheid van Christus die nooit werkelijk verdween.
Er zijn verlangens waarvan de oorsprong zich niet eenvoudig laat aanwijzen. Zij lijken niet op één bepaald moment te ontstaan, maar worden pas later herkenbaar als iets wat altijd al in een mens aanwezig was. Zo ervaar ik mijn verlangen naar God, naar waarheid en naar het begrijpen van de werkelijkheid. Ik ben rooms-katholiek opgevoed. De naam van Jezus Christus, het gebed, de kerk en de sacramenten maakten deel uit van mijn jeugd. Ik koos er bewust voor om misdienaar te worden, maar zelfs dat verklaart niet volledig wat er in mij leefde. Mijn opvoeding gaf mij woorden, rituelen en beelden, maar mijn verbondenheid met Christus voelde nooit uitsluitend als iets wat mij van buitenaf was aangeleerd. Er was een herkenning die aan mijn begrip voorafging. Een gevoeligheid voor het heilige. Een besef dat de zichtbare wereld niet de gehele werkelijkheid kon zijn en dat Christus niet slechts iemand was over wie in het verleden werd gesproken.
Als kind kon ik dat niet theologisch onderbouwen. Ik wist niets van de ingewikkelde vragen waarmee kerkvaders en denkers zich eeuwenlang hadden beziggehouden. Ik kende de filosofische betekenis van de Logos niet en kon niet uitleggen wat het betekende dat God mens werd. Toch was er iets aan Christus wat buiten iedere gewone categorie viel. Hij was niet alleen een leraar, een profeet of een figuur binnen een religieus verhaal. Zijn aanwezigheid droeg een gewicht dat ik nog niet kon benoemen. Misschien begon mijn zoektocht daarom niet met twijfel aan God, maar juist met het besef dat God te werkelijk was om oppervlakkig te benaderen. Wanneer Christus werkelijk met God verbonden was op een wijze die geen andere mens toekwam, dan kon geloof niet alleen bestaan uit het herhalen van overgeleverde woorden. Dan moest het raken aan de aard van alles wat bestaat.
In mijn tienerjaren kreeg dat verlangen een vraag. Een ogenschijnlijk eenvoudige vraag, maar een vraag die niets onaangeraakt laat zodra zij werkelijk wordt gesteld:
Wat is waarheid?
Niet: welke overtuiging geeft mij de meeste rust? Niet: welk wereldbeeld past het beste bij mijn persoonlijkheid? Niet: welke religie bevestigt wat ik diep vanbinnen al hoop te geloven? Maar wat is waar, ook wanneer het mij tegenspreekt, mijn begrip overstijgt of mij dwingt opnieuw te kijken naar alles waarvan ik dacht dat ik het begreep? Ik wist toen niet dat deze vraag de volgende zestien jaar van mijn leven mede zou bepalen. Ik wist evenmin dat zij mij door religies, mystieke tradities, filosofieën, symbolen, oude wereldbeelden en esoterische systemen zou voeren. Ik wist alleen dat ik niet tevreden kon zijn met een antwoord waarvan ik de grond niet kende.
Het verlangen naar wijsheid
Ik herinner mij een moment waarop ik ontwaakte en ervoer dat God tot mij sprak. Hij vroeg mij waarnaar ik verlangde. Mijn antwoord kwam direct: wijsheid. Ik had het niet voorbereid en ik probeerde geen verheven antwoord te geven. Het woord was er voordat ik erover nadacht. Alsof het verlangen al langer in mij aanwezig was en op dat moment alleen een stem kreeg.
Het verhaal van Salomo had vanaf het eerste moment indruk op mij gemaakt. Niet vanwege zijn koningschap, zijn rijkdom of de macht die later met zijn naam verbonden raakte, maar vanwege de aard van zijn verlangen. Toen hem werd gevraagd wat hij wilde ontvangen, vroeg hij niet om overwinning, bezit of een lang leven. Hij vroeg om een opmerkzaam hart, om het vermogen te onderscheiden tussen goed en kwaad en om recht te kunnen doen. Dat raakte mij dieper dan ik toen kon uitleggen. Wijsheid was kennelijk niet hetzelfde als veel weten. Zij was ook niet hetzelfde als intelligentie. Zij had te maken met het vermogen om de werkelijkheid juist te zien, zonder haar te vervormen naar eigen belang, angst of verlangen.
Misschien klinkt dit achteraf zuiverder dan het werkelijk was. Een mens kent zijn eigen motieven nooit volledig. Ook in een oprechte zoektocht kunnen nieuwsgierigheid, behoefte aan orde, intellectuele trots, angst voor betekenisloosheid en verlangen naar God naast elkaar bestaan. Ik wil mijn jongere zelf daarom niet voorstellen als iemand die uitsluitend door een volkomen zuiver verlangen werd bewogen. Maar de kern was werkelijk. Ik verlangde niet naar kennis om boven anderen te staan. Ik verlangde naar inzicht omdat ik God, de mens en de werkelijkheid wilde begrijpen. Ik wilde weten wat waarheid van misleiding onderscheidde, wat werkelijk diep was en wat zich slechts in ingewikkelde taal als diepte presenteerde.
Ik dacht toen waarschijnlijk dat God mijn gebed om wijsheid vooral zou beantwoorden door mij meer te laten zien. Dat Hij deuren van begrip zou openen, verbanden zichtbaar zou maken en mij antwoorden zou geven op vragen die voor anderen gesloten bleven. Pas veel later begon ik te beseffen dat wijsheid niet alleen wordt gevormd door wat een mens mag begrijpen. Zij wordt ook gevormd door de grenzen die hij ontmoet, door de verantwoordelijkheid die hij moet dragen, door de momenten waarop zijn inzicht hem niet kan redden en door het vertrouwen dat overblijft wanneer het verstand geen vaste grond meer vindt.
Maar voordat ik dat kon begrijpen, moest ik zoeken.
De aard van alles
Van nature denk ik abstract. Wanneer ik iets tegenkom, wil ik niet alleen weten wat het is of hoe het functioneert. Ik wil weten waar het vandaan komt, welke aannames eraan voorafgaan, hoe het zich verhoudt tot andere verschijnselen en welke diepere orde zichtbaar wordt wanneer losse onderdelen in samenhang worden bekeken. Een antwoord beëindigt voor mij zelden de vraag. Het opent meestal een volgende laag.
Waarom keren bepaalde symbolen in verschillende tijden en beschavingen terug? Waarom spreken religieuze tradities over licht en duisternis, hemel en aarde, dood en wedergeboorte, water, vuur, bomen, slangen, koningen en offers? Gaat het om gedeelde herinneringen, universele patronen in de menselijke psyche, een gezamenlijke oorsprong of om verschillende werkelijkheden die door vergelijkbare beelden worden uitgedrukt? Waarom zoekt de mens in vrijwel iedere cultuur naar iets wat hem overstijgt? Waarom draagt hij een besef van goed en kwaad, terwijl hij zelf voortdurend verdeeld is? Wat is bewustzijn? Wat is geest? Wat is materie? Waar eindigt de zichtbare natuur en waar begint datgene wat niet rechtstreeks kan worden waargenomen?
Die vragen stonden voor mij nooit los van God. Integendeel, zij kwamen voort uit mijn verlangen Hem dieper te begrijpen. Wanneer God de Schepper is, dan moet de schepping op een bepaalde wijze iets van haar oorsprong dragen. Wanneer de mens naar Gods beeld is gemaakt, dan moet er in de mens iets zijn wat niet volledig kan worden teruggebracht tot biologie, gedrag of overleving. Wanneer Christus de Logos wordt genoemd en alles door Hem is ontstaan, dan is Hij niet slechts een figuur binnen de geschiedenis, maar raakt zijn bestaan aan de grond van de werkelijkheid zelf.
Ik wilde de nature of things begrijpen. Niet alleen hoe de wereld werkt, maar wat het betekent dat er überhaupt een wereld is. Niet alleen hoe bewustzijn zich manifesteert, maar waarom de werkelijkheid een wezen heeft voortgebracht dat zich bewust kan worden van zichzelf, van de dood, van moraal, van eeuwigheid en van God. Niet alleen waarom religies bestaan, maar wat het zegt dat de mens zich nooit volledig heeft kunnen neerleggen bij een werkelijkheid die alleen uit het zichtbare zou bestaan.
Daarom kon mijn zoektocht niet beperkt blijven tot één discipline. Theologie alleen leek mij niet voldoende wanneer filosofie vragen stelde over bestaan en kennis. Filosofie alleen leek niet voldoende wanneer wetenschap de zichtbare orde onderzocht. Wetenschap alleen leek niet voldoende wanneer bewustzijn, betekenis en het morele besef zich niet volledig lieten herleiden tot meetbare processen. Mystiek en esoterie trokken mij aan omdat zij juist probeerden taal te geven aan het gebied waar directe waarneming en gewone begrippen tekortschoten.
Niet omdat ik op voorhand aannam dat zij waar waren.
Maar omdat ik wilde weten wat zij dachten te hebben gezien.
Zestien jaar onderzoek
Mijn onderzoek naar deze vragen duurt inmiddels meer dan zestien jaar. Vijf jaar daarvan was het uitzonderlijk intensief. Naast werk, sport en het gewone leven besteedde ik vrijwel iedere week tientallen uren aan lezen, vergelijken, analyseren en het leggen van verbanden. Het was geen tijdelijke fascinatie en ook geen hobby aan de rand van mijn bestaan. Het nam jarenlang een groot deel van mijn denken en innerlijke leven in beslag.
Ik verdiepte mij in het zoroastrisme, boeddhisme, hindoeïsme, soefisme, kabbala, gnostiek, vrijmetselarij, theosofie en uiteenlopende mystieke en esoterische tradities. Ik onderzocht oude wereldbeelden, religieuze symboliek, natuurfilosofie, kosmologie, bewustzijn, geestelijke hiërarchieën en de mogelijke verhouding tussen de zichtbare en onzichtbare werkelijkheid. Ik las Manly P. Hall, Helena Blavatsky, Samael Aun Weor en vele anderen. Niet omdat één van hen voor mij de uiteindelijke meester werd. Ik las, absorbeerde, evalueerde, vergeleek en ging verder.
Wanneer een auteur beweerde een verborgen wet of geestelijke werkelijkheid te hebben doorzien, wilde ik weten waarop die bewering rustte. Wanneer verschillende tradities dezelfde symbolen gebruikten, wilde ik begrijpen of er werkelijk sprake was van een gedeelde oorsprong, of dat de menselijke geest vergelijkbare beelden gebruikte om fundamenteel verschillende ideeën uit te drukken. Wanneer een systeem zichzelf presenteerde als het ontbrekende verband tussen religie, wetenschap en mystiek, onderzocht ik wat het werkelijk verklaarde en wat het slechts opnieuw benoemde.
Mijn manier van zoeken was daarom zelden volledig loyaal aan één systeem. Ik kon een gedachte ernstig nemen zonder het volledige wereldbeeld eromheen te aanvaarden. Ik kon een oud inzicht waardevol vinden en tegelijk kritisch blijven op de autoriteit van degene die het doorgaf. Ik kon overeenkomsten herkennen zonder onmiddellijk te concluderen dat alle tradities uiteindelijk hetzelfde bedoelden. De beweging was steeds dezelfde: lezen, opnemen, toetsen, verbanden leggen en verdergaan.
Dat betekende niet dat ik buiten iedere beïnvloeding bleef. Wie zich jarenlang in een wereld van symboliek, verborgen kennis en metafysische systemen beweegt, wordt onvermijdelijk gevormd door de taal en categorieën waarmee die wereld zichzelf verklaart. Sommige ideeën kunnen lang in het bewustzijn blijven rondgaan voordat duidelijk wordt welke aannames erin verborgen liggen. Sommige verbanden lijken overtuigend omdat zij een gevoel van orde geven, niet noodzakelijk omdat zij werkelijk bestaan. En sommige systemen zijn zo allesomvattend dat zij iedere kritiek kunnen opnemen als nieuw bewijs van hun eigen gelijk.
Toch geloof ik niet dat deze jaren eenvoudig als verspilling of afdwaling kunnen worden beschreven. Zij hebben mij geleerd hoe diep de menselijke honger naar waarheid kan reiken. Zij hebben mij laten zien hoe krachtig symboliek is, hoe oude culturen naar natuur en geest keken en hoe beperkt de moderne mens soms is wanneer hij denkt dat alleen het meetbare werkelijk bestaat. Maar zij hebben mij ook geleerd hoe gemakkelijk mysterie kan worden verward met mist, hoe snel onbewijsbare claims als openbaring kunnen worden gepresenteerd en hoe spirituele taal gebruikt kan worden om menselijke macht buiten bereik van kritiek te plaatsen.
Christus die niet verdween
Mijn weg wordt verkeerd verteld wanneer zij wordt teruggebracht tot een eenvoudig verhaal waarin ik Christus achterliet, verdwaalde in andere systemen en Hem later opnieuw vond. Zo is het niet gegaan. Christus was nooit werkelijk afwezig. Ook tijdens mijn meest intensieve jaren van onderzoek kon ik Hem niet los zien van God. Ik zocht geen vervanger voor Hem. Ik wilde begrijpen wie Hij werkelijk was en hoe diep zijn aanwezigheid in de structuur van de werkelijkheid reikte.
Andere tradities konden Jezus beschrijven als een meester, ingewijde, profeet, archetype of drager van een hoger bewustzijn. Geen van die categorieën was voor mij voldoende. Zij konden aspecten benoemen van hoe mensen Hem interpreteerden, maar zij verklaarden niet wie Hij in zijn volheid was. Er bleef altijd iets over wat zich niet liet opnemen in een groter menselijk systeem.
Wat betekent het dat Hij vóór Abraham was? Wat betekent het dat Johannes Hem het Woord noemt en zegt dat alles door Hem is geworden? Wat betekent het dat God mens werd, niet slechts in verschijning of symboliek, maar werkelijk het menselijke bestaan binnenging? Wat betekent het dat Christus niet alleen waarheid verkondigt, maar zichzelf de waarheid noemt? Wat betekent zijn kruisiging voor de verhouding tussen God, zonde, liefde, rechtvaardigheid en verzoening? Wat betekent zijn opstanding voor de aard van het leven en de macht van de dood?
Mijn verlangen was nooit om Christus kleiner te maken zodat Hij binnen een ander wereldbeeld paste. Ik wilde Hem juist dieper begrijpen. Niet alleen historisch of dogmatisch, maar ook geestelijk, metafysisch en in relatie tot de mens, de schepping en het onzichtbare. Ik kon Christus niet losmaken van God. Tegelijk kon ik God niet langdurig onderzoeken zonder steeds opnieuw bij Christus uit te komen.
Niet omdat ik Hem volledig begreep.
Maar omdat Hij zich niet uit de vraag liet verwijderen.
Dat is misschien een van de belangrijkste verschillen tussen mijn weg en een eenvoudige overgang van het ene wereldbeeld naar het andere. Christus verscheen niet plotseling opnieuw aan het einde van mijn zoektocht als een conclusie die ik eerder had gemist. Hij liep erdoorheen als een aanwezigheid die nooit ophield vragen te stellen aan alles wat ik onderzocht. De vraag was niet of Christus een plaats zou krijgen. De vraag was uiteindelijk welke plaats mijn denken, mijn kennis en mijn zoektocht onder Hem zouden innemen.
Het zichtbare en het onzichtbare
Ik ben niet tot de conclusie gekomen dat alles wat onder mystiek, symboliek of esoterie valt betekenisloos is. Dat zou opnieuw een simplificatie zijn. Oude tradities hebben geprobeerd iets te zeggen over werkelijkheden waarvoor directe empirische taal ontbrak. Zij gebruikten symbolen, getallen, geometrische vormen, planeten, elementen, verhalen en rituelen om een orde te verbeelden die zij in natuur, mens en kosmos meenden te herkennen.
Waar moderne wetenschap zich met buitengewone precisie richt op wat meetbaar, waarneembaar en herhaalbaar is, proberen mystieke en esoterische systemen vaak iets te zeggen over het onzichtbare. Niet noodzakelijk omdat zij het onzichtbare werkelijk beheersen, maar omdat de menselijke vraag verder reikt dan wat een instrument kan registreren. Wij kunnen hersenactiviteit meten, maar daarmee is bewustzijn niet volledig verklaard. Wij kunnen de chemische processen rondom liefde beschrijven, maar daarmee is nog niet gezegd wat liefde is of waarom zij morele verplichtingen schept. Wij kunnen het ontstaan van sterren onderzoeken, maar daarmee blijft de vraag bestaan waarom er überhaupt iets is in plaats van niets.
Symbolische taal kan daarom werkelijk iets openen. Een symbool kan een verband zichtbaar maken dat niet gemakkelijk in een definitie te vangen is. Het kan verschillende lagen van ervaring, natuur en geest bijeenbrengen zonder te beweren dat zij volledig identiek zijn. Sommige oude inzichten over ritme, verhouding, menselijk gedrag en natuur bleken veel minder primitief dan een oppervlakkige moderne blik veronderstelt.
Maar juist omdat symboliek open is, kan zij ook vrijwel onbeperkt worden ingevuld. De grens tussen betekenis en projectie is niet altijd onmiddellijk zichtbaar. Een mens kan een verband ontdekken, maar hij kan het ook construeren omdat hij verlangt dat de werkelijkheid samenhangend is. Een mystieke ervaring kan iets werkelijk openen, maar de interpretatie ervan blijft menselijk en daarmee vatbaar voor vergissing. Een oud systeem kan wijsheid bevatten en tegelijkertijd speculatie, machtsvorming en menselijke fantasie in zich dragen.
Het probleem ontstaat vooral wanneer een leer zichzelf boven toetsing plaatst. Wanneer een meester zijn bijzondere positie bewijst met openbaringen die alleen gezag hebben omdat hijzelf beweert een bijzondere positie te bezitten. Wanneer kritiek niet inhoudelijk wordt beantwoord, maar wordt verklaard als bewijs dat de criticus nog niet voldoende ontwikkeld is. Wanneer twijfel niet wordt gezien als een legitieme vraag, maar als een tekort aan bewustzijn of inwijding.
Dan wordt de zoektocht gesloten. Het systeem hoeft niet langer waar te zijn, omdat het iedere mogelijke tegenspraak al heeft ingesloten. Het ego wordt niet overwonnen, maar verheven tot geestelijke rang.
Ik heb in die wereld geleerd dat het gewone ego gezien wil worden, maar dat het spirituele ego iets subtielers verlangt. Het wil worden gezien als iemand die boven de behoefte aan erkenning is uitgestegen. Het spreekt niet alleen over status, maar over licht, bewustzijn, meesterschap en verborgen kennis. Juist daardoor kan het moeilijker te herkennen zijn.
Tegelijk is het terecht om dan ook de vraag te stellen of diezelfde kritiek niet op Jezus kan worden toegepast. Ook Hij sprak immers met een gezag dat geen gewone leraar zichzelf kon toekennen. Het verschil ligt echter niet alleen in de hoogte van de aanspraak, maar in de aard ervan.
Jezus bouwde zijn gezag niet op geheime kennis die slechts voor een kleine kring van ingewijden toegankelijk was. Zijn optreden was openbaar. Zijn woorden werden uitgesproken in synagogen, op pleinen, aan tafels en tegenover mensen die Hem openlijk tegenspraken. Hij werd bevraagd, beschuldigd, afgewezen en uiteindelijk gedood. Zijn aanspraak op gezag werd niet beschermd door een systeem waarin iedere criticus automatisch als geestelijk onontwikkeld werd weggezet.
Ook riep Jezus mensen niet op om via graden, initiaties of verborgen kennis hetzelfde niveau als Hij te bereiken. Hij nodigde hen niet uit om hun eigen goddelijkheid te ontdekken, maar om zich te bekeren, zichzelf te verloochenen, de ander te dienen en Hem te volgen. Zijn gezag vergrootte het ego niet. Het bracht het voor het kruis.
Dat maakt Hem niet automatisch geloofwaardig voor iedereen. Zijn identiteit blijft juist de centrale vraag waarop ieder mens zelf een antwoord moet geven. Maar het verschil met zelfbenoemde meesters is wezenlijk. Hun gezag rust vaak op ontoetsbare claims over hun eigen ontwikkeling. De aanspraak van Jezus staat in het volle licht van zijn openbare leven, zijn woorden, zijn handelen, zijn verhouding tot de Schrift, zijn kruisiging en, voor het christelijk geloof beslissend, zijn opstanding.
Dit inzicht maakt mij niet hard tegenover mensen die oprecht in zulke tradities zoeken. Ik herken hun verlangen. Ik weet hoe werkelijk de honger kan zijn en hoe onbevredigend oppervlakkige antwoorden kunnen voelen. Maar een oprechte intentie maakt niet iedere weg betrouwbaar en niet iedere leraar waarachtig. De zoeker verdient geen minachting. Zijn overtuigingen verdienen wel toetsing.
Toen de beweging veranderde
Lange tijd gaf mijn onderzoek mij energie. Ieder nieuw verband opende een volgende ruimte. Iedere traditie gaf taal aan vragen die al in mij leefden. De werkelijkheid leek steeds groter te worden, alsof iedere laag bevestigde dat het bestaan niet kon worden teruggebracht tot alleen datgene wat direct zichtbaar was.
Op een bepaald moment veranderde die beweging. Niet plotseling en niet doordat ik op één dag besloot dat alles wat ik had onderzocht onwaar was. Ook mijn verlangen naar wijsheid verdween niet. Het was subtieler. Dezelfde wereld begon mij niet langer dezelfde geestelijke beweging te geven. Waar ik eerder verdieping ervoer, begon ik herhaling te herkennen. Andere woorden, andere symbolen en andere leraren, maar dikwijls dezelfde belofte dat achter de volgende laag eindelijk het volledige inzicht zou liggen.
Er was altijd nog een nieuwe sleutel, een volgende graad, een onbekend geschrift, een diepere inwijding of een hoger niveau van bewustzijn waarin alles samen zou vallen. De zoektocht kon zichzelf eindeloos voortzetten. Niet noodzakelijk omdat er niets meer te begrijpen viel, maar omdat het volgende antwoord steeds opnieuw werd uitgesteld naar een volgende laag.
Misschien had ik genoeg kennis verzameld om ook de grens van dat verzamelen te leren zien. Misschien was de geestelijke energie uit die wereld niet verdwenen omdat alle kennis waardeloos was, maar omdat mijn leven om een andere vorm van begrijpen begon te vragen. Het verlangen verschoof naar het aardse: een vrouw, een gezin, werk, verantwoordelijkheid, bouwen en aanwezig zijn in een leven dat niet alleen in gedachten bestond.
Ik ervoer dit niet als een beweging weg van God. Achteraf zie ik het eerder als een beweging waarin God mij uit een overwegend abstracte verhouding tot de werkelijkheid naar een vollediger bestaan leidde. Niet om het geestelijke te verlaten, maar om te ontdekken dat het geestelijke niet alleen in verborgen lagen, oude teksten en diepe contemplatie aanwezig is. Het moest vlees krijgen in het alledaagse.
God in het alledaagse
De abstractie had mij geleerd ver te kijken. Het aardse leerde mij aanwezig te zijn. Een gedachte kan volmaakt lijken zolang zij niet tussen mensen hoeft te leven. Een overtuiging kan diep klinken zolang zij niet wordt getoetst door verantwoordelijkheid. Een mens kan spreken over liefde zonder ooit werkelijk iemand te hoeven dragen. Hij kan spreken over overgave zolang hij nog controle heeft en over vertrouwen zolang er niets wezenlijks op het spel staat.
Het dagelijkse leven nam mijn vragen niet weg. Het gaf ze gewicht. Liefde werd niet langer alleen een geestelijke werkelijkheid waarover ik kon nadenken, maar een verantwoordelijkheid tegenover een concreet mens. Trouw werd geen verheven begrip, maar iets wat in kleine keuzes, geduld, aanwezigheid en volharding vorm moest krijgen. Werk werd niet slechts een middel om te bestaan, maar een plaats waar ambitie, angst, karakter, controle en vertrouwen zichtbaar werden.
Een gezin maakte duidelijk dat het leven zich niet alleen door beschouwing laat kennen. Een kind vraagt niet eerst of je de betekenis van verantwoordelijkheid volledig hebt doorgrond. Het is afhankelijk van je aanwezigheid. Liefde moet daar niet alleen gevoeld of begrepen worden, maar gedragen. Zij krijgt een ritme, een lichaam en consequenties. Zij vraagt dat je opstaat wanneer je moe bent, blijft wanneer je onzeker bent en iets van jezelf geeft zonder voortdurend te berekenen wat het oplevert.
God werd in die beweging niet minder aanwezig. Hij werd concreter. Niet eenvoudiger, maar dichterbij. Ik begon Hem opnieuw te herkennen in de gewone orde van het leven: in arbeid, zorg, geduld, teleurstelling, dankbaarheid en het opnieuw beginnen nadat iets mislukt. In een huis. In een huwelijk. In het gezicht van mijn kind. In de verantwoordelijkheid voor mensen en werk. In momenten die voor de buitenwereld niets verhevens droegen, maar waarin meer waarheid zichtbaar kon worden dan in vele uren van abstractie.
Het zichtbare bleek niet de vijand van het onzichtbare. Het zichtbare werd de plaats waar het onzichtbare gestalte kreeg. Misschien had ik God jarenlang gezocht achter de werkelijkheid, in de verborgen patronen en lagen ervan. Langzaam leerde ik Hem ook zien in de werkelijkheid zelf.
Op mijn knieën
De afgelopen jaren hebben mij op een andere manier gevormd dan alle jaren van onderzoek daarvoor. Vanaf het moment dat ik zelfstandig begon te ondernemen, kregen verantwoordelijkheid, onzekerheid en tegenslag een gewicht dat niet door denken alleen gedragen kon worden. Er waren keuzes waarvan de gevolgen werkelijk bij mij lagen. Er waren momenten waarop ik alles had overwogen en nog steeds niet wist wat de uitkomst zou zijn. Momenten waarop mijn vermogen om verbanden te zien geen zekerheid bood en mijn discipline geen bescherming vormde tegen verlies, druk of teleurstelling.
Ik had lang gezocht naar kennis die de werkelijkheid inzichtelijker zou maken. Maar het leven bracht mij op plaatsen waar inzicht geen garantie kon geven. Ik kon een situatie begrijpen en haar nog steeds niet beheersen. Ik kon risico’s analyseren en toch niet weten wat de volgende dag zou brengen. Ik kon alles doen wat binnen mijn vermogen lag en alsnog geconfronteerd worden met grenzen die niet door meer inspanning verdwenen.
Daar heeft God mij op mijn knieën gebracht.
Niet als vernedering om mij waardeloos te maken. Niet als afwijzing van mijn denken of mijn verlangen naar wijsheid. Maar als waarheid over mijn plaats. Daar waar ik niets meer kon vasthouden, werd zichtbaar wat mij werkelijk droeg. Niet mijn kennis, mijn discipline, mijn vermogen om vooruit te denken of de plannen die ik had opgebouwd. God.
Ik had mijn hele leven verlangd Hem te begrijpen. Op mijn knieën leerde ik Hem vertrouwen. Dat was geen afscheid van wijsheid. Het was misschien het moment waarop wijsheid zich begon los te maken van mijn voorstelling dat zij voornamelijk bestond uit inzicht. Kennis kan onderscheiden, analyseren en misleiding blootleggen. Zij kan de geest openen voor de grootsheid van de werkelijkheid. Maar zij kan mij niet dragen wanneer alles onder mij beweegt. Zij kan God niet vervangen.
Het vertrouwen waartoe ik werd gedwongen, voelde niet als een sluitend antwoord op al mijn vragen. Het was eerder een andere verhouding tot de vragen. Ik hoefde niet langer alles te overzien voordat ik kon gehoorzamen. Ik hoefde niet eerst volledige zekerheid te bezitten voordat ik mij aan God kon toevertrouwen. Mijn begrip bleef belangrijk, maar het verloor de plaats van laatste zekerheid.
Wat wijsheid geworden is
Toen ik als jongen om wijsheid vroeg, dacht ik waarschijnlijk aan het vermogen om de werkelijkheid dieper te begrijpen. Dat verlangen is nooit verdwenen. Maar wijsheid betekent voor mij inmiddels meer dan het herkennen van verbanden en het overzien van verschillende perspectieven. Zij vraagt ook dat een mens weet wanneer zijn denken zijn grens heeft bereikt en dat hij niet doet alsof die grens door nog meer abstractie kan worden opgeheven.
Wijsheid is niet het vermogen om iedere religie, traditie en ervaring in één groot systeem onder te brengen. Zij is evenmin het verzamelen van zoveel perspectieven dat geen enkele waarheid nog een grens mag trekken. Soms is het zoeken naar eenheid zelf een projectie. De werkelijkheid is niet verplicht zich te voegen naar mijn verlangen dat alles uiteindelijk samenvalt.
Sommige overtuigingen spreken elkaar werkelijk tegen. God kan niet tegelijk de persoonlijke Schepper zijn en slechts een onpersoonlijke energie zonder wil of moreel karakter. De mens kan niet tegelijk een schepsel zijn dat leven ontvangt en een wezen dat uit zichzelf zijn verborgen goddelijkheid realiseert. Christus kan niet tegelijk God in het vlees zijn en slechts een meester die een bewustzijnsniveau bereikte dat ieder mens door de juiste initiatie kan verwerven.
Werkelijke diepgang betekent niet dat deze tegenstellingen net zo lang symbolisch worden gemaakt totdat zij verdwijnen. Soms betekent zij dat je de verschillen ernstig genoeg neemt om te erkennen dat zij niet allemaal waar kunnen zijn. Dat was voor mij geen gemakkelijke les. Mijn natuurlijke neiging is om samenhang te zoeken. Maar ook het verlangen naar samenhang moet worden getoetst. Niet ieder patroon dat ik kan zien, is door God in de werkelijkheid gelegd.
Wijsheid is daarom niet alleen diep zien. Zij is ook bereid zijn gecorrigeerd te worden. Niet alleen vragen stellen, maar beseffen dat mijn vragen niet de hoogste autoriteit zijn. Niet alleen God willen begrijpen, maar erkennen dat Hij geen object is dat door mijn denken volledig kan worden omvat. Niet alleen waarheid zoeken, maar mij door de waarheid laten beoordelen.
Ik vroeg God om wijsheid en dacht dat Hij mij antwoorden zou geven. Hij gaf mij ook grenzen, verantwoordelijkheid, liefde, tegenslag en momenten waarop alleen vertrouwen overbleef. Niet omdat Hij mijn verlangen niet hoorde, maar omdat wijsheid zonder overgave opnieuw een vorm van macht kan worden.
De Logos
Uiteindelijk komt de gehele vraag naar de aard van de werkelijkheid voor mij samen in de Logos. Wanneer Christus de Logos is, dan is Hij niet slechts één onderwerp binnen mijn onderzoek. Hij is de grond waardoor onderzoek, bewustzijn en werkelijkheid überhaupt mogelijk zijn. De waarheid ontstaat dan niet in het menselijke bewustzijn en wordt niet werkelijk doordat wij haar erkennen. Zij gaat aan ons vooraf.
De schepping brengt de waarheid niet voort. Zij bestaat binnen een orde die niet uit haarzelf is ontstaan. Ons bewustzijn schept die orde niet, maar ontwaakt erin en probeert haar gedeeltelijk te begrijpen. De mens kan waarheid zoeken, ontvangen, verkeerd interpreteren of afwijzen, maar hij is niet haar oorsprong.
Dat verandert de plaats van mijn verstand zonder het te ontkennen. Mijn denken is een gave. Mijn verlangen om te begrijpen hoort diep bij wie ik ben. Ik hoef dat niet af te leggen om God te volgen. Maar mijn verstand is niet de bron van de werkelijkheid die het onderzoekt. Ik kijk naar een schepping die ik niet heb voortgebracht. Ik verlang naar waarheid die al bestond voordat ik een vraag kon stellen.
Christus hoefde daarom nooit opnieuw in mijn leven te worden ingevoegd. Hij was er. Wat moest veranderen, was mijn verhouding tot Hem. Van Degene die ik steeds dieper wilde begrijpen naar Degene door wie ik überhaupt in staat ben te begrijpen. Van een werkelijkheid waarnaar ik reikte naar de werkelijkheid waarin mijn bestaan rust. Van onderwerp van contemplatie naar de levende waarheid aan wie ook mijn diepste vragen ondergeschikt zijn.
Dat betekent niet dat de vragen verdwijnen. Het betekent dat zij een juiste plaats krijgen. Mijn verstand mag reiken, maar hoeft niet te doen alsof het God kan omvatten. Mijn kennis mag groeien, maar hoeft geen bezit te worden waarmee ik mij boven de werkelijkheid plaats. Mijn zoektocht mag voortgaan, maar zij hoeft de waarheid niet langer zelf samen te stellen.
InnerCrusade
InnerCrusade voelt voor mij niet als een concept dat ik op een bepaald moment heb bedacht en daarna van geestelijke betekenis heb voorzien. Het voelt steeds meer als een naam voor iets wat al veel langer in mij gaande was. De zoektocht naar waarheid, het verlangen naar wijsheid, de aanwezigheid van Christus, de jaren van onderzoek, de overgang naar het aardse en de momenten waarop God mij op mijn knieën bracht, komen hierin niet tot een definitief einde. Zij beginnen zich erin te ordenen.
InnerCrusade is voor mij in de eerste plaats geen beweging. Misschien krijgt zij ooit die vorm. Misschien worden mensen samengebracht en groeit er iets wat ik nu nog niet kan overzien. Maar dat is niet waar zij begint. Zij begint in de ruimte waar ik alleen met God ben en waar mijn verlangen naar waarheid niet alleen wordt gevoed, maar ook wordt getoetst.
Het is de strijd om diep te denken zonder het denken te aanbidden. Om kennis niet te verwerpen, maar haar juiste plaats te geven. Om Christus niet alleen geestelijk en metafysisch te willen begrijpen, maar Hem te volgen in mijn huwelijk, mijn vaderschap, mijn werk, mijn verantwoordelijkheid en de wijze waarop ik omga met tegenslag. Om niet alleen over waarheid te schrijven, maar haar toegang te geven tot de delen van mijn leven die liever buiten bereik van correctie blijven.
Ik voel steeds sterker dat God dit van mij verlangt. Niet als een prestatie waarmee ik mijzelf moet bewijzen. Niet als een positie waarin ik mij tot leraar, meester of bezitter van bijzondere kennis moet verheffen. Juist het tegenovergestelde. InnerCrusade ontstaat vanuit het besef dat ik afhankelijk ben, dat ik niet klaar ben en dat mijn zoektocht nog steeds voortgaat.
Maar zij gaat niet meer voort vanuit dezelfde verhouding.
Ik zoek niet meer alsof de waarheid door mij moet worden samengesteld. Ik zoek niet meer alsof mijn begrip de werkelijkheid voltooit. Ik zoek vanuit het besef dat de waarheid mij voorafgaat, dat zij mij kent voordat ik haar ken en dat mijn vragen welkom zijn zonder ooit de hoogste plaats te hoeven innemen.
Mijn verlangen naar wijsheid is nooit verdwenen. God heeft het niet van mij afgenomen. Hij heeft het door de jaren heen verdiept, beproefd, begrensd en opnieuw geordend. Ik zocht Hem in religie, symboliek, mystiek en de verborgen structuren van de werkelijkheid. Daarna leerde ik Hem opnieuw zien in liefde, gezin, arbeid, verantwoordelijkheid en het alledaagse. Ik zocht Hem in kennis en leerde Hem vertrouwen toen kennis mij niet meer kon dragen.
InnerCrusade kreeg pas later een naam, maar de beweging erachter begon veel eerder, toen ik als jongen God om wijsheid vroeg. Misschien waren al die jaren geen rechte weg en zeker geen bevestiging dat iedere weg waar was, maar wel een voorbereiding waarin God mij liet kijken, vragen, onderscheiden en uiteindelijk de grenzen van mijn eigen begrijpen ontmoeten.
Ik vroeg om wijsheid omdat ik de waarheid wilde kennen.
Lange tijd dacht ik dat kennen vooral betekende dat ik steeds verder moest doordringen in de aard van alles wat is. Dat ik door te onderzoeken, te vergelijken en verbanden te leggen steeds dichter bij de grond van de werkelijkheid zou komen.
Nu begrijp ik dat de waarheid zich niet alleen laat kennen door ernaar te kijken. Zij vraagt dat ik erin leef, erop vertrouw en mij eraan onderwerp.
Niet omdat mijn denken waardeloos is, maar omdat het niet de hoogste orde is. Niet omdat mijn zoektocht verkeerd was, maar omdat zelfs een oprecht verlangen naar waarheid uiteindelijk moet leren dat het de waarheid niet zelf voortbrengt, maar ontvangt.
Christus was daarin nooit afwezig. Langzaam begon ik te begrijpen dat Hij niet alleen aanwezig was in mijn zoektocht, maar de Logos is door wie de werkelijkheid bestaat en in wiens licht ieder inzicht uiteindelijk moet worden getoetst.
Daar eindigde mijn verlangen naar wijsheid niet.
Daar leerde het buigen.